Natuurkalender
Nieuws en agenda
Meedoen
Scholen
Projecten
Waarnemingen
Informatie soorten
Achtergrondinformatie
Links
Zoeken
Landbouw
Teken
Hooikoorts
Eikenprocessierups
Ganzen |
 |
Invloed van de hitte en de droogte in Nederland op de natuur
|
|
Inleiding
Nederland is al geruime tijd in de greep van extreem warm en droog zomerweer. Record na record wordt
gebroken en steeds meer sectoren ondervinden hinder van de gevolgen. Het ziekteverzuim is vergeleken
met andere zomers zeer hoog. Ook planten en dieren kunnen de extreme weersomstandigheden niet uit de
weg gaan. De effecten van de hoge temperaturen en de droogte op de natuur zijn zeer divers en ook
complex van aard. Het is echter duidelijk dat de effecten groot (zullen) zijn.
Verdroging is een moeilijk begrip. We verstaan hieronder alle effecten die veroorzaakt worden door
(grond)waterstanddaling, vochttekort, mineralisatie, veranderingen in de invloed van kwel en het inlaten
van gebiedsvreemd water.
Verdroging is in Nederland al jaren een groot probleem dat voor een groot deel door menselijke ingrepen
veroorzaakt wordt. Echter ook (zeer) droge weersomstandigheden kunnen sterk bijdragen aan de
verdrogingproblematiek. De huidige zomer is net als de zomer van 2003 een duidelijk voorbeeld van wat
natuurlijke droogte kan veroorzaken. De grondwaterstanden zakken flink, er ontstaat concurrentie om
het beschikbare water en er wordt gebiedsvreemd water ingelaten om de waterpeilen op de juiste stand
te houden. Een zeer groot aantal planten en dieren wordt op de proef gesteld. Een ander aantal planten
en dieren krijgt juist extra kansen om zich uit te breiden of zich hier te vestigen. Hieronder proberen
we een beeld te geven van de gevolgen die de huidige hoge temperaturen en de droogte voor de natuur
(kunnen) hebben.
In sommige gevallen kunnen verdroging en opwarming een tegengesteld effect hebben op een plant of dier.
Hierdoor kan het onduidelijk zijn hoe zo’n warme en droge zomer uit zal pakken voor die soort.
Het overzicht is gebaseerd op diverse publicaties en onderzoeken waarvan onderaan de tekst enkele
bronnen genoemd worden. Enkele studies zijn al jaren geleden uitgevoerd maar we veronderstellen dat
de uitkomsten van toen nog steeds geldig zijn. Het overzicht is ook zeker niet uitputtend maar geeft
van diverse natuurtypen en soortgroepen een korte indicatie.
Gevolgen van verdroging
Allereerst is het belangrijk om te realiseren dat verdroging een complex onderwerp is. Het leidt tot
een zeer divers aantal factoren die elk weer invloed hebben op de natuur:
Vochttekort
Verandering in de beschikbaarheid van voedingsstoffen
Betere doorluchting van de bodem
Snellere afbraak of mineralisatie van organisch materiaal waardoor extra voedingsstoffen vrij komen
en eutrofiëring (vermesting) kan optreden. Hierdoor ontstaan weer een heel scala andere problemen.
Invloed van regenwater op de wortelzone neemt toe wat kan leiden tot verzuring.
Extra inlaten van gebiedsvreemd water met een andere samenstelling en voedselwaarde en zuurgraad.
Rivierwater bevat grote hoeveelheden stikstof, sulfaat en fosfor en is ook hard door aanwezigheid van
kalk. Kalk verhoogt de zuurgraad waardoor afbraakprocessen beter verlopen waardoor er extra nitraat
in het water komt. Dit leidt tot vermesting.
Vermindering van de invloed van kwel op de wortelzone (minder binding van fosfaat aan ijzer).
Verzilting van grondwater in de kustgebieden.
Waterpeil van beken, rivieren en vennen neemt af.
Stroomsnelheid van beken en rivieren neemt af.
Stijging van de watertemperatuur. In zeer hete zomers kan de temperatuur van het rivierwater zoveel
stijgen dat elektriciteitscentrales niet meer kunnen koelen. De maximale lozingstemperatuur is 30 ºC,
wanneer het rivierwater door aanhoudende hitte bijvoorbeeld 27 ºC is, kan het nog maar weinig warmte
opnemen.
Hieronder wordt een overzicht gegeven van positieve en negatieve effecten van verdroging in
Nederland. Indien de informatie niet specifiek betrekking heeft op verdroging, maar op de invloed van
hogere temperaturen dan wordt dat vermeld.
Bomen
Positief effect
Mogelijke soorten die wat betreft hun concurrentiepositie bij stijgende temperaturen bevoordeeld
zouden kunnen worden, zijn; gewone walnoot, tamme kastanje, robinia, paardenkastanje, gewone esdoorn,
kleinbladige linde, haagbeuk, smalbladige es, plataan, moseik, hongaarse eik, zachte eik, zomerlinde,
zilverlinde en veldiep.
Negatief effect
Er zijn verschillende boomsoorten die slecht tegen verdroging kunnen.
Beuk: Is vooral gevoelig voor droogte. De beuk kan echter ook minder goed tegen te veel
bodemvocht in het voorjaar na een natte winter, waardoor het zuurstofgehalte in de bodem te sterk daalt.
Veel beuken groeien de laatste zomers minder en hun zaailingen hebben een lager concurrentievermogen.
In zuidoost Engeland, waar de beuk zijn westgrens bereikt, wordt momenteel ook al een sterke teruggang
in de vitaliteit van de beuk gemeld, terwijl in midden Scandinavië aangeplante beuken zich momenteel
spontaan verjongen Een afnemende vitaliteit door verdroging is zichtbaar aan:
Bladeren worden leerachtig en krullen op, bruine vlekken op het blad, bladpunten kleuren licht,
tenslotte verliezen ze hun normale groene kleur, bladeren worden kleiner, groene bladeren vallen
vroegtijdig (al in augustus) af.
Doorzichtiger worden van de kroon door uitdroging en bladverlies in de top.
Berk: afname vitaliteit is vooral zichtbaar aan:
De bladeren verkleuren van groen via geel naar bruin.
Er treedt vroegtijdige (zomerse) bladafval op en de groei van de jongste loten wordt geremd.
Eik: Afnemende vitaliteit is vooral zichtbaar aan:
Geel worden en omkrullen van de bladeren, geringere bladproductie en vroege bladval, uitblijven
van herfstkleuren bij bladval.
Veelvuldig optreden van insectenplagen waarvan de boom zich slecht kan herstellen.
Buitenste takken sterven af, bladeren concentreren zich op de korte takjes aan de basis van de
hoofdtakken, de volle boomvorm verdwijnt.
Kaal worden van de kroon onder andere door bladverlies.
Planten
Positief effect
De laatste jaren zijn er grote veranderingen waargenomen in de Nederlandse flora. Een groot aantal
nieuwe soorten is ons land binnen gekomen. De opwarming van Nederland wordt gezien als één van de
belangrijkste oorzaken voor deze toename. De warmteminnende soorten zullen waarschijnlijk baat hebben bij
de huidige zomeromstandigheden. Ga naar
meer informatie over de recente verschuivingen.
Negatief effect
Een groot aantal planten kan slecht tegen extreme warmte en droogte. Een overzicht daarvan
hebben we op dit moment niet beschikbaar.
Vogels - verdroging
Positief effect
Het is onduidelijk welke soorten positief door verdroging beïnvloed worden.
Zeker negatief effect door verdroging
Geoorde fuut, dodaars, wilde eend, krakeend, wintertaling, zomertaling, slobeend, korhoen, patrijs,
kemphaan, watersnip, grutto, tureluur, zwarte stern, snor, rietzanger, grote karekiet.
Waarschijnlijk negatief effect door verdroging
purperreiger, roerdomp, woudaapje, lepelaar, tafeleend, kuifeend, waterhoen, waterral, porseleinhoen,
steltkluut, kievit, kleine plevier, houtsnip, wulp, graspieper, sprinkhaanzanger.
Mogelijk negatief effect door verdroging
blauwe reiger, bruine kiekendief, kwartel, kwartelkoning, velduil, gele kwikstaart, ortolaan.
Zoogdieren - verdroging
Zeker positief effect door verdroging
Mol: Door verdroging worden meer gebieden geschikt voor de mol.
Konijn (T+)*: bij verdroging kunnen ze beter hun holen graven.
* T+: een hogere temperatuur heeft een positief effect op de soort
T-: een hogere temperatuur heeft een negatief effect op de soort
Waarschijnlijk positief effect door verdroging
Egel (T+): is schaars in natte gebieden.
Tweekleurige bosspitsmuis (T+): door verdroging kan concurrentiekracht ten opzichte van de
gewone bosspitsmuis toenemen op de vochtige delen van de zandgronden.
Dwergspitsmuizen: Verdroging verzwakt mogelijk de concurrentiepositie ten opzichte van andere
spitsmuizen. Soort komt echter wel veel voor in droge milieu’s.
Huisspitsmuis (T+): droogteminner, door verdroging worden meer gebieden geschikt.
Vos: verdroging maakt in principe een groter gebied geschikt.
Hamster (T+): verdroging verkleint het risico op onderlopen en verloren gaan van ondergrondse
wintervoorraden.
Veldmuis: kan in grotere gebieden overleven en populaties opbouwen. In natte gebieden of gebieden
met fluctuerende grondwaterstanden krijgt de soort normaal geen gelegenheid een populatie op te bouwen.
Bosmuis: verdroging van terreinen werkt meestal positief voor de bosmuis, zowel in bossen als
in open terreinen.
* T+: een hogere temperatuur heeft een positief effect op de soort
T-: een hogere temperatuur heeft een negatief effect op de soort
Mogelijk positief effect door verdroging
Ondergrondse woelmuis: prefereert de overgang van droog naar nat. Mogelijk dat door
grondwaterstanddaling natte gebieden geschikt worden hoewel bestaande leefgebieden ongeschikt kunnen
worden.
Dwergmuis: Door verdroging worden de natste terreinen ook geschikt.
Haas: Hazen hebben geen drinkwater nodig. In droge gebieden komen minder ziektes voor, wat
gunstig is voor de conditie en daardoor voor de reproductie.
Zeker negatief effect door verdroging
Noordse woelmuis (T-): verdroging veroorzaakt biotoopvernietiging.
Waterspitsmuis (T+): is sterk gebonden aan open water. Hij verliest terrein aan de bosspitsmuis
bij verdroging.
Otter: afname van het aantal sloten (oevers), de waterdiepte en de slootbreedte betekent
achteruitgang van het leefgebied van de otter.
* T+: een hogere temperatuur heeft een positief effect op de soort
T-: een hogere temperatuur heeft een negatief effect op de soort
Waarschijnlijk negatief effect door verdroging
Das: verdroging heeft een negatieve invloed in gebieden waar open (drink-) water schaars is.
Droogvallen van poelen en beekjes dwingt dassen grotere afstanden af te leggen op zoek naar open water.
Bever: verdroging kan leiden tot verminderde waterafvoer van beekbovenlopen, die daardoor minder
geschikt worden voor kolonisatie.
Muskusrat: in laag Nederland kan peilverlaging gunstig zijn omdat ze voor het graven van het
hol enige ruimte boven de waterlijn nodig hebben. In hoog Nederland leidt het droogvallen van
waterlopen tot wegtrekken.
Aardmuis: bij verdroging van vochtige terreinen verliest de aardmuis terrein op de veldmuis.
Bij verdroging van zeer natte gebieden kan de aardmuis toenemen ten koste van de noordse woelmuis.
Bruine rat (T+): verdroging is mogelijk negatief in de hoge zandgebieden indien het aantal
sloten dat water voert afneemt.
* T+: een hogere temperatuur heeft een positief effect op de soort
T-: een hogere temperatuur heeft een negatief effect op de soort
Mogelijk negatief effect door verdroging
Gewone bosspitsmuis
Rosse woelmuis: voorkeursbiotoop is relatief vochtig bos.
Woelrat: droogvallende sloten worden door woelratten verlaten. Peilverlaging is dus
ongunstig. De woelrat kan echter voorkomen tot op 1 km van open water.
Ree: verdroging zou de floristische samenstelling negatief kunnen beïnvloeden. Bij
droogvallen van sloten en poelen moeten ze een grotere afstand afleggen voor drinkwater en lopen
daarbij grotere risico’s om door het verkeer aangereden te worden.
Bunzing (T-): jaagt graag langs het water. Bunzingen zijn in sommige gebieden van Europa
mogelijk zeldzaam geworden door het verdwijnen van vochtige biotopen.
* T+: een hogere temperatuur heeft een positief effect op de soort
T-: een hogere temperatuur heeft een negatief effect op de soort
Libellen
Positief effect
Tangpantserjuffer, geelvlekheidelibel, viervlek, zwervende pantserjuffer, platbuik, kempense heidelibel.
Negatief effect
Zuidelijke oeverlibel, mercuurwaterjuffer, donkere waterjuffer, steenrode heidelibel,
hoogveenglanslibel, gewone bronlibel, gevlekte glanslibel, noordse glazenmaker,
beekrombout, noordse winterjuffer, beekoeverlibel, bruine winterjuffer, bosbeekjuffer,
speerwaterjuffer, tengere pantserjuffer, koraaljuffer, gevlekte witsnuitlibel.
Libellen - stijgende temperatuur
Positief effect
Vuurlibel, zuidelijke glazenmaker, zuidelijke keizerlibel.
Vlinders - stijgende temperatuur
Positief effect
Kleine ijsvogelvlinder, koninginnenpage, kleine parelmoervlinder, rouwmantel, bruine vuurvlinder,
klaverblauwtje, dwergdikkopje, gehakkelde aurelia.
Negatief effect
Veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje.
Vlinders - verdroging
Negatief effect
Heivlinder, heideblauwtje, oranjetipje, grote parelmoervlinder, aardbeivlinder, zilveren maan,
veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje.
Vleermuizen - verdroging
Negatief effect
Verdroging verkleint het voedselaanbod voor vleermuizen, met name op de zandgronden.
Baardvleermuis: in gebieden op zandgronden, die arm zijn aan oppervlaktewateren kan een
negatief effect op het voedselaanbod verwacht worden door afname van het aanbod van insecten.
Vale vleermuis: mogelijk ontstaat voedseltekort bij droogte.
Watervleermuis: een mogelijk negatief effect kan tot uiting komen via bossterfte en via
afname van het voedselaanbod. Vooral watervleermuispopulaties van de bossen op de hoge zandgronden
en van de bossen van de binnenduinrand lijken kwetsbaar. Verdroging kan plaatselijk leiden tot
verlaging van het voedselaanbod door het droogvallen van beken, vennen, plassen en grachten. Ook
dit effect is vooral te verwachten op de zandgronden.
Dwergvleermuis: mogelijk leidt verdroging plaatselijk tot afname van het voedselaanbod,
zoals is aangetoond voor ruige dwergvleermuizen in een naaldbosgebied in een droge zomer. In droge
gebieden met weinig oppervlaktewater worden lage aantallen van de dwergvleermuis aangetroffen.
Grootoorvleermuizen: in een naaldbosgebied in het oosten van Duitsland is als gevolg van een
droge zomer een toegenomen migratie van jonge grootoorvleermuizen waargenomen, terwijl de volwassen,
territoriale dieren in het gebied bleven en honger leden. Het lange termijneffect van verdroging zou
eenzelfde invloed kunnen hebben, met lage populatiedichtheden tot gevolg. Vooral in de bosgebieden
op voedselarme zandgronden in Nederland kan de hoeveelheid beschikbare voedsel achteruit gaan.
Vleermuizen - warmte
Positief effect
Warmteminnende soorten: vale vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine hoefijzerneus, grijze
grootoor.
Negatief effect
Koudetolerante soorten: baardvleermuizen, grootoorvleermuizen.
Aquatische soorten - opwarming
Positief effect
Krabben en garnalen: fluwelen zwemkrab, breedpootkrab, helmkrab, grote spinkrab, teennagelkrab,
harig porseleinkrabbetje, ruig krabbetje, grijze zwemkrabben, fluwele zwemkrabben, gewimperde
zwemkrabben, blauwpootzwemkrab, kleine heremietkreeft, erwtenkrabbetje, ruig krabbetje, gladde
sponspootkrab, columbuskrabbetje, steurgarnaal.
Overige organismen: bezaantje, lampekapje, zuidelijke parelkwal, wijde mantel, mesheft,
gevlochten fuikhoren, wenteltrap, witte wenteltrap, zaagje, tere dunschaal, wulk, hoekige
otterschelp, ovale otterschelp.
Negatief effect
Vissen zijn in beperkte mate tolerant voor hoge watertemperaturen. Er zitten echter grote verschillen
tussen verschillende soorten. Bentische soorten zoals platvissen worden in het traject van 25-28 ºC
direct bedreigd met sterfte. Haringachtigen al bij 22 ºC. Ook de gestippelde alver komt in problemen
boven watertemperatuur van 22°C. In de zone waar het water deze temperaturen heeft, kunnen de gevoelige
soorten niet overleven wanneer ze niet kunnen wegzwemmen.
Radardiertjes en roeipootkreeftjes vertonen geen effect bij opwarming tot 34 ºC. Bij een temperatuur
van 30 ºC vertoont zoöplankton geen sterfte maar bij 40 ºC is de sterfte opgelopen naar 50 tot 100%.
Bij een temperatuur van 30 ºC vertoont fytoplankton geen sterfte. Bij 40 ºC is de sterfte opgelopen
tot meer dan 50%.
De effecten nemen sterk toe bij hogere temperaturen, wat ook leidt tot een langere hersteltijd.
Amfibieën en reptielen
Negatief effect
Voortplantingsplaatsen drogen uit.
Verdroging heeft bij zandhagedissen een nadelig effect op ei-ontwikkeling De eieren hebben een
bepaalde vochtigheid nodig. In langdurig droge zomers kan het percentage eieren dat uitkomt zeer
laag of nul zijn. Is de grondwaterstand laag en dus de grond op de plaats waar de eieren worden
afgezet al droger, dan zal een beetje droge zomer al te droog zijn voor een normale ei-ontwikkeling.
Duinen – valleien
Positief effect
Planten: duinriet, diverse houtsoorten, duinpest (grijs kronkelsteeltje).
Zoogdieren: ree.
Negatief effect
Ecosystemen: heidevegetaties, bloemrijke graslanden (groeien dicht).
Planten: parnassia, slanke gentiaan, echt duizendguldenkruid , orchideeën (bijv.
moeraswespenorchis).
Amfibieën: bruine kikker.
Duinen – bossen
Positief effect
Planten: Kruipwilg.
Paddestoelen: berkenzwam
Negatief effect
Planten: berken.
Vogels: wielewaal.
Natte heide
Positief effect
Planten: Pijpestrootje.
Ongewervelden: huisjesslakken.
Negatief effect
Libellen: venwitsnuitlibel (eieren worden in levend veenmos afgezet), koraaljuffer (larven
zijn gebonden aan waterveenmos).
Vlinders: heideblauwtje.
Vogels: blauwborst, waterral, watersnip, porseleinhoen, tureluur, bruine kiekendief, boomvalk,
geelgors, kraanvogel, kiekendieven.
Soorten die het moeilijk krijgen
Gewone dopheide: kieming en vestiging stagneert onder droge omstandigheden.
Soorten die verdwijnen
ronde zonnedauw, klokjesgentiaan, lavendelhei, parnassia, witte snavelbies, eenarig wollegras,
veenbes, veenbies.
Hoogveengebieden
Positief effect
Planten: kleine lisdodde, pijpestrootje, pitrus, zachte berk, geoorde wilg, vuilboom,
vogelmuur, gewone hennepnetel, braam.
Negatief effect
Ecosysteem: verdroging heeft ernstige gevolgen. Het veen wordt afgebroken. Veenmossen sterven
al na twee weken uitdroging.
Beekdalen - algemeen
Negatief effect
Planten: kwelindicatoren als waterviolier, dotterbloem, holpijp, bosbies, adderwortel,
tweerijige zegge, grote boterbloem, moeraskartelblad, waterdrieblad.
Beekdalen - blauwgraslanden
Positief effect
Planten: grassen zoals gestreepte witbol, hennegras, kruipend struisgras.
Negatief effect
Planten: kleine zeggesoorten, orchideeën, parnassia, spaanse ruiter en vlinders.
Beekdalen - bossen
Positief effect
Planten: gewone vlier, braam, gewone hennepnetel, ruwe smele, ruw beemdgras, zevenblad,
kleefkruid.
Laagveenmoerassen
Negatief effect
Vlinders: grote vuurvlinder, zilveren maan, moerasparelmoervlinder.
Zoogdieren: noordse woelmuis.
Libellen: groene glazenmaker (door invloed van inlaten van gebiedsvreemd water op populaties
krabbescheer).
Fenologie
Rijping van vruchten
Het moment waarop de vruchten rijp zijn is jarenlang bijgehouden in fenologische waarnemingsnetwerken.
Uit analyse van deze historische waarnemingen blijkt dat hogere temperaturen de snelheid van rijping
te bevorderen. Veelal is echter ook het bloeitijdstip belangrijk. Een later begin van de bloei betekent
ook een latere rijping van de vruchten.
In onderstaande tabel staat dit voor aalbes, wilde lijsterbes,
vlier en witte paardenkastanje weergegeven. De tweede kolom geeft de gemiddelde datum waarop de
vruchten rijp zijn. De derde kolom geeft aan welke factoren het tijdstip van rijping beïnvloeden.
Bij de genoemde maanden gaat het om de gemiddelde maandtemperatuur. In de laatste kolom wordt
aangegeven hoeveel dagen het moment van rijping verschuift indien de bloeidatum met 1 dag vervroegt
of de gemiddelde temperatuur in de desbetreffende maand met 1°C stijgt.
Tabel: Overzicht van wanneer vruchten van struiken en bomen rijpen en de variabelen die het tijdstip
van rijping beïnvloeden (zie alinea hierboven voor uitleg).
| Soort |
Gemiddelde datum rijping vruchten |
Verklarende variabelen |
Verandering met 1 dag of +1°C |
| Aalbes |
3 juli |
Bloeidatum mei juni |
0,4 -2,8 -1,5 |
| Wilde lijsterbes |
7 augustus |
Bloeidatum augustus |
0,7 -2.8 |
| Vlier |
2 september |
Bloeidatum juli juni |
0,6 -2,1 -1,9 |
| Witte paardenkastanje |
23 september |
Bloeidatum juni mei |
0,3 -1,8 -1,4 |
Bladverkleuring en bladval
Bomen proberen bij droogte het vochtverlies te verminderen door (een deel) van hun bladeren te laten
vallen. Vaak verkleuren de bladeren voordat ze af vallen. In onderstaande figuur staat aangegeven
wanneer de bladeren van berk, beuk en eik verkleuren en wanneer de bladeren voor het eerst beginnen
te vallen. Onder het kopje bomen staat meer informatie over bladverlies bij
bomen door droogte.
Figuur: Fenologie van enkele boomsoorten (Begin bladverkleuring berk, Beuk volledige herfsttint,
Berk volledige herfsttint, Zomereik begin herfsttint, Beuk begin herfsttint, Zomereik start bladval,
Beuk begin bladval).
Geraadpleegde literatuur
Hartholt, J.G., en Z. Jager, 2004. Effecten van koelwater op het zoute aquatische milieu,
Rapport RIKZ/2004.043
Jeugd, H.P. van der, 1993. Flora en Fauna 2030; achtergrondreeks, deel 5 Nederlandse broedvogels.
Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland.
Martens, V., 1993. Flora en Fauna 2030; achtergrondreeks, deel 6 Vleermuizen. Stichting
Vleermuizenwerkgroep Nederland
Ierland, E. C. v., R. S. de Groot, P. J. Kuikman, P. Martens, B. Amelung, N. Daan, M. Huynen,
K. Kramer, J. Szonyi, J. A. Veraart, A. Verhagen, A. J. H. Van Vliet, P. E. V. Van Walsum and E. Westein (2001). Integrated assessment of vulnerability to climate change and adaptation options in the Netherlands. Wageningen, Wageningen UR.
Nabuurs, G. J., K. Kramer and G. M. J. Mohren (1997). Effecten van klimaatverandering op het
Nederlandse bos en bosbeheer. Wageningen, Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek Rappé, G., 2003.
Mariene kustorganismen als bio-indicatoren van klimaatsveranderingen in de zuidelijke Noordzee. De
Levende Natuur. 104:3
Roos, R en V. Vintges (eds.), 1992. Het milieu van de natuur; Herkennen van verzuring, vermesting
en verdroging in de natuur. Stichting Natuur en Milieu.
Roos, R en V. Vintges (eds.), 2000. Het milieu van de natuur. Stichting Natuur en Milieu.
Vlinderstichting, 1993. Flora en Fauna 2030; achtergrondreeks, deel 4 Dagvlinders. De
Vlinderstichting, Wageningen.
Wasscher, M.T. en J. van Tol, 1993. Flora en Fauna 2030; achtergrondreeks, deel 3 Libellen.
Stichting European Invertabrate Survey Nederland, Leiden.
Zoon, C.P.M., 1993. Flora en Fauna 2030; achtergrondreeks, deel 7. Nederlandse zoogdieren in
2010.

Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.
|