Natuurkalender
Nieuws en agenda
Meedoen
Scholen
Projecten
Waarnemingen
Informatie soorten
Achtergrondinformatie
Links
Zoeken
Landbouw
Teken
Hooikoorts
Eikenprocessierups
Ganzen

Verandering in areaal zoogdieren


Een studie van Ovaa et al. (1993) concludeerde dat 34% van de zoogdieren positief zal reageren op een stijging van de temperatuur, drogere zomers en nattere winters. Ongeveer 21% zal negatief reageren. Voor verdroging is dit 24% positief en 31% negatief. De oorzaken van de reacties lopen sterk uiteen en naast de klimaatfactoren spelen ook een groot aantal andere factoren een rol.

Hieronder enkele voorbeelden van mogelijke effecten uit de studie van Ovaa et al. (1993).

Egel
Verlenging van het groeiseizoen kan gunstig werken op het overwinteringsucces van de egel (Erinaceus europaeus), aangezien wintersterfte nu met 50% de grootste natuurlijke sterftefactor is. Het effect van toenemende neerslag en hogere gemiddelde temperaturen is moeilijk aan te geven, maar lijkt niet negatief. De egel is in natte gebieden schaars. Een verdroging zal het beschikbare habitat voor de egel kunnen vergroten.

Gewone bosspitsmuis
De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) komt in warmere gebieden bijna niet in de vlakte voor. Hij mijdt droogte en warmte, onder andere door veel in dichte vegetatie en ondergronds te leven. Bij klimaatverandering (warmer) wordt mogelijk de positie in Nederland zwakker. Verhoging van de neerslag lijkt echter gunstig te zijn. Het totaaleffect is onduidelijk. Door verdroging worden veel vochtige biotopen ook geschikt voor de tweekleurige bosspitsmuis. Concurrentie is aangetoond maar de afloop ervan is onzeker. Toch lijkt het ongunstig voor de gewone bosspitsmuis. Inlaat van gebiedsvreemd water en natuurbouw langs waterlopen in de zandgebieden lijkt meer biotopen voor de gewone bosspitsmuis te scheppen, maar heeft geen positief effect als het water verontreinigd is.

Tweekleurige bosspitsmuis
Temperatuurstijging gecombineerd met meer neerslag lijkt voor de tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) gunstig, omdat daardoor de areaalgrens mogelijk naar het noordwesten opschuift. Door verdroging kan de concurrentiekracht ten opzichte van de gewone bosspitsmuis toenemen op de vochtige delen van de zandgronden.

Mol
De vrij scherpe noordgrens in Scandinavië kan op een temperatuurgrens wijzen maar dat is voor Nederland niet van belang. Door verdroging worden meer gebieden geschikt voor mollen (Talpa europaea). In natte gebieden vallen 's winters de concentraties van mollen in dijken en hoge weglichamen op. Bij extreem hoge watersstanden worden mollen uit een gebied verdreven.

Bunzing
Een warmer en droger klimaat lijkt gunstig voor de bunzing (Mustela putorius). Opeenvolgende warme, regenrijke winters kunnen echter de stand van kleine zoogdieren (belangrijke winterprooi) nadelig beïnvloeden, waardoor veel oudere bunzingen sterven, hetgeen een groot negatief effect op de stand heeft. Naar verwachting zullen de Nederlandse winters inderdaad natter worden. Ongunstige zomers voor amfibieën (droog) betekenen voor deze amfibieënspecialist vooral hogere sterfte onder jonge dieren en minder onder oudere, waardoor een zwak negatief effect op de populatie optreedt. Het klimaateffect lijkt derhalve via de beschikbaarheid van voedsel negatief te zijn. De bunzing jaagt graag langs het water. Bunzingen zijn in sommige gebieden van Europa mogelijk zeldzaam geworden, door het verdwijnen van vochtige biotopen.

Steenmarter
De noordelijke areaalgrens van de steenmarter (Martes foina) ligt niet ver noordelijk van Nederland. 's Winters is de soort bijna geheel aangewezen op verwarmde gebouwen voor zijn rustplaatsen. Tot nu toe heeft dit mogelijk zijn voorkomen bepaald. Wanneer het klimaat warmer wordt, komen misschien meer rustplaatsen in aanmerking, die nu nog te weinig bescherming tegen kou geven. Bijna alle biotopen worden door de steenmarter bezocht. Verdroging heeft daarom waarschijnlijk geen effect.

Gewone zeehond
In een zonniger klimaat gaan de zeehonden (Phoca vitulina) vaker aan land, waardoor het risico van contactbesmetting met virusziekten toe neemt en grotere sterfte kan veroorzaken. De soort prefereert getijdegebieden in de gematigde zone; de voorspelde klimaatveranderingen zouden Nederland in de Noordfranse situatie brengen, waar nu de zuidelijke areaalgrens van de gewone zeehond ligt. Het Deltagebied lijkt dan weinig toekomst te hebben. De kansen voor de Waddenzee zijn duidelijk beter. Bij zeespiegelstijging groeien de zandbanken mee zolang er voldoende zandvoorraad voor de kust ligt.

Ree
Gelet op de areaalgrenzen van de ree (Capreolus capreolus) in Zuid-Zweden en Schotland, is te verwachten dat een warmer klimaat gunstig is. Of dit ook effecten in Nederland heeft is onbekend. Onder nattere omstandigheden loopt de ree een grotere kans op ziekten. Mogelijk is het minimum tussen 1971 en 1975 in Nederland en Westfalen hierdoor veroorzaakt. Het lijkt erop dat een hogere jaartemperatuur gunstig is, onder andere door verlenging van het groeiseizoen (kruiden en loofbomen) maar dat een neerslagoverschot in de winter nadelig is. Naast een mogelijke invloed van verdroging via de floristische samenstelling (onbekend), kunnen reeën bij geheel droogvallen van de sloten, een gebied verlaten en daarbij massaal door het verkeer gedood worden. Anderzijds komen reeën in zowel natte veengebieden als in droge zandgebieden voor.

Veldmuis
Veldmuizen (Microtus arvalis) overleven niet als een terrein zeer nat wordt. Zij moeten die terreinen in de zomer weer koloniseren. Een klimaat met groot neerslagoverschot in de winter is derhalve ongunstig voor de veldmuis in vlakke laaggelegen gebieden en stroomdalen. In hooggelegen gebieden heeft dat geen effect. Verlenging van het groeiseizoen is voor deze 100% herbivoor echter gunstig. Het totale effect is moeilijk te voorspellen. Verdroging heeft een gunstig effect op de veldmuis. Daardoor kan hij in grotere gebieden overleven en populaties opbouwen. In natte gebieden of gebieden met fluctuerende grondwaterstanden krijgt de soort normaal geen gelegenheid een populatie op te bouwen.

Noordse Woelmuis
Voor een noordelijke soort als de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) lijkt temperatuurverhoging niet gunstig. Toename van de neerslag kan gunstig zijn als daardoor meer moerassen ontstaan of de verdroging gecompenseerd wordt. Verdroging heeft biotoopvernietiging tot gevolg. Door onderbemaling en peilverlaging verdwijnen in grote gebieden drassige terreinen. Na 1945 zijn daardoor veel geschikte gebieden verloren gegaan, of is de isolatie opgeheven, waardoor de veldmuis drogere, eerder door de noordse woelmuis bewoonde terreinen in bezit heeft genomen. Op Texel bewoont de soort zowel droge als natte biotopen, bij afwezigheid van de veldmuis.

Hazelmuis
Mogelijk vormt het klimaat de oorzaak van het ontbreken van hazelmuizen (Muscardinus avellanarius) in het noordelijk deel van het lössleemareaal in Nederland en Duitsland. Hun optimale biotoop voor overwintering wordt gevormd door neerslagrijke steile hellingen met verweringsgronden, die grotendeels noordwestelijk geëxponeerd zijn. Rond Vaals valt de meeste neerslag van Nederland. Naar het westen en noorden neemt de neerslag sterk af tot minder dan 700 mm/jaar. In de zomer leven ze echter op zuidelijk tot zuidwestelijk geëxponeerde hellingen met veel vruchten. De verwachte hogere neerslag en hogere temperatuur kan derhalve tot gevolg hebben dat de areaalgrens naar het noorden verschuift of dat de dichtheden ten zuiden van de Geul hoger worden.

Eikelmuis
De vrijwel rechte areaalgrens in Noordwest-Europa doet vermoeden dat er een klimatologische factor in het spel is. In Vlaanderen schijnt de eikelmuis (Eliomys quercinus) zich naar het noorden uit te breiden. Waarschijnlijk is temperatuurverhoging gunstig. Omdat de eikelmuis het zwaartepunt van zijn verspreiding zuidelijk van Nederland heeft liggen.

Relmuis
Als soort met een areaal zuidelijk van ons land lijkt het gunstig voor de relmuis (Glis glis) als het klimaat warmer wordt. Warme droge zomers zijn mogelijk zeer gunstig. De relmuis komt vooral voor in matig vochtige loofbossen. Maar op de lemige en stenige gronden speelt verdroging geen rol. In de tijd dat ze de jongen zogen, hebben ze echter water nodig.

Haas
Naar verwachting gedijt de haas (Lepus europaeus) in een continentaal klimaat beter dan in een maritiem klimaat. Natte omstandigheden bevorderen dan ook het uitbreken van ziekten. Engelhardt et al (1985) hebben een positieve correlatie aangetoond tussen toenemende hazenstand, hoge temperaturen tussen januari en augustus en lage neerslag in maart en april. Hiermee verklaarden ze het maximum tussen 1971 en 1975 in Beieren dat waarschijnlijk een piek in de elf-jarige cyclus is (is ook in het Nederlandse materiaal te herkennen). De verlenging van het groeiseizoen lijkt gunstig. De voorspelde klimaatveranderingen wijzen in de richting van verhoogde neerslag bij een hogere temperatuur wat zowel gunstige als ongunstige effecten kan hebben. Nadere toetsing is nodig. Hazen hebben geen drinkwater nodig. In droge gebieden komen minder ziektes voor, wat gunstig is voor conditie en daardoor voor de reproductie.

Konijn
Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is van oorsprong een mediterrane soort. In ons klimaat passen ze zich aan door bij kou langer in hun holen te blijven en door pas met de voortplanting te beginnen bij het op gang komen van de grasgroei. In strenge winters kan 2/3 van de stand door honger omkomen, zoals na de koude winters van 1963 en van 1979 in de duinen. De verwachte verlenging van het groeiseizoen in een warmer klimaat, lijkt gunstig voor het voortplantingssucces en overleving. Verdroging is gunstig voor konijnen, omdat ze daardoor beter hun holen kunnen graven. In natte gebieden komen ze alleen voor in zandige dijken, zandopduikingen, wallen en kaden. Door polderpeilverlaging in de laatste decennia zijn zelfs klei- en veenpolders geschikt geworden omdat de konijnen hun holen in de slootranden kunnen graven.

Ree (Capreolus capreolus)

Foto: Hendrik van Kampen
www.fryslansite.com



Literatuur
Ovaa, A. H., J. Latour en R. Reiling (1993). Proefproject flora en fauna 2030; Hoofdrapport. Wageningen, Landbouwuniversiteit Wageningen, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne,: 31.


Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse , Wageningen UR.