Natuurkalender
Nieuws en agenda
Meedoen
Scholen
Projecten
Waarnemingen
Informatie soorten
Achtergrondinformatie
Links
Zoeken
Landbouw
Teken
Hooikoorts
Eikenprocessierups
Ganzen |
 |
Achtergrondinformatie klimaat
|
|
(Bron: KNMI)
Het klimaat in Nederland
Nederland heeft een
zeeklimaat, waarbij, zoals de naam al aangeeft, de zee een grote rol
speelt in het klimaat. Doordat grote watermassa's de temperatuur
langer vast kunnen houden dan land, heeft dit een vertragende
werking op de temperatuur. Aan het water zijn
temperatuursverschillen kleiner dan verder landinwaarts. Gevolg is
dat het 's zomers langer duurt voordat het warm wordt, en het in het
najaar langer duurt voordat de temperatuur daalt.
Ook in Nederland is de opwarming van de aarde, zoals dit ook
mondiaal gemeten is, de laatste jaren merkbaar. Vanaf 1901 gemeten
hebben de jaren 1990, 1999, 2000 en 2002 de hoogste jaargemiddelde temperatuur.
Niet ieder seizoen laat een zelfde mate van opwarming zien: met name het voorjaar
is in de recente jaren warmer dan het langjarig gemiddelde in het tijdvak 1961-1990.
Nederland wordt onder andere warmer door de toename van broeikasgassen in de
atmosfeer. De temperatuur is sinds eind jaren '80 sterk gestegen. De
gemiddelde jaarlijkse temperatuur in de laatste 15 jaar van de
twintigste eeuw lag 1°C hoger dan de gemiddelde temperatuur in de
rest van de eeuw. De relatieve opwarming is sterker aan het begin
van het jaar. De gemiddelde temperatuur van de maanden januari tot
en met maart lag de laatste 15 jaar van de twintigste eeuw zo'n 2°C hoger dan daarvoor. Daarmee loopt de opwarming in Nederland in
grote lijnen in pas met de wereldwijde klimaatverandering.
De timing van seizoensgebonden verschijnselen in de natuur hangt
vaak sterk af van de temperatuur. Al de maanden februari, maart en
april 1°C warmer worden ontvouwt de paardenkastanje zijn bladeren
bijvoorbeeld 5 dagen eerder. Door de hoge temperaturen in de laatste
jaren begint het voorjaar voor veel planten en dieren drie tot vier
weken eerder dan vroeger. Daarnaast blijkt de winter steeds later te
beginnen waardoor de lengte van het groeiseizoen langer wordt. Al
deze veranderingen vinden overal om ons heen plaats en zijn dus
direct in de ""achtertuin" waar te nemen.
 |
figuur 1: mondiale temperatuurstijging in de afgelopen eeuw. De
blauwe
lijn geeft de afwijking aan van de gemiddelde temperatuur van de
periode
1856-1999 ten opzichte van 1856-1899. De rode lijn is het lopende
gemiddelde over 15 jaar (Bron: P.D. Jones, CRU Norwich
UK). |
|
| Figuur 2: jaargemiddelde temperatuur in Nederland. |
 |
Figuur 3: jaargemiddelde temperatuur (zwart) en de gemiddelde
temperatuur
in de eerste helft van het jaar in Nederland (blauw). De rode lijnen zijn de
lopende gemiddelden per tien jaar. |
Het klimaat verandert
Veranderingen in het klimaat kunnen verschillende oorzaken hebben.
Menselijke activiteiten hebben hier invloed op, maar ook niet-menselijke
activiteiten. Zo kunnen bijvoorbeeld verschuivingen van continenten en
zeestromen, vulkaanuitbarstingen, fluctuerende
zonneactiviteit, het chaotisch gedrag van de atmosfeer en El Niño's de temperatuur op aarde
beïnvloeden.
De
recente opwarming van de aarde wordt wel grotendeels door de mens
veroorzaakt. Menselijke activiteiten hebben tot gevolg dat de concentraties van
'broeikasgassen' in de atmosfeer toenemen. Door verbranding van fossiele
brandstoffen, zoals steenkool, aardolie en aardgas wordt veel
koolstofdioxide (CO2) de atmosfeer in geracht. Sinds 1750 is
de concentratie van CO2 in de atmosfeer met ongeveer 30%
toegenomen. Andere broeikasgassen. Van de andere broeikasgassen zijn
methaan (CH4), lachgas (N2O), ozon (O3)
en chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) de bekendste. De hoeveelheden
lachgas zijn met zo'n 15% gestegen, die van methaan met 145%. Dat is dus
meer dan verdubbeld. De CFK's in de atmosfeer zorgen ervoor dat de
hoeveelheid ozon in de stratosfeer sterk afgenomen is. De hoeveelheden
ozon lager in de atmosfeer zijn juist verdubbeld.
De afgelopen eeuw is de temperatuur op aarde 0,7°C gestegen. Volgens berekeningen zal de temperatuur de komende eeuw
met 1,4 tot 5,8°C toenemen. Dit zal een toename van de neerslag tot
gevolg hebben en een stijging van de zeespiegel.
Hoe ontstaan
klimaatveranderingen?
We zullen een aantal mechanismen bespreken en zien hoe ze gekenmerkt
worden door bepaalde tijdschalen en patronen.
Vissers in Peru merkten eeuwen geleden al dat de vis in sommige jaren
uitbleef en ze niets vingen. Oorzaak was het plotseling warmere water
aan de kust dat dan veel armer is aan voedsel. Dat gebeurde meestal rond
Kerst vandaar de naam El Niño, het Spaanse woord voor Kerstkind.
Tegenwoordig bedoelen we met El Niño's periodes waarin warm water zich
langs de kust en langs de evenaar over een groot deel van de Stille
Oceaan uitstrekt. Een koelere tijd wordt La Niña (het meisje) genoemd.
El Niño doet zich onregelmatig maar gemiddeld om de drie tot zeven jaar
voor. Dan valt de passaat weg, die het warme water in de oostelijke
Stille Oceaan normaal richting Indonesië blaast. De gevolgen van een El
Niño voor het weer, met name de gevolgen voor temperatuur en neerslag,
zijn tot in de wijde omtrek groot, bijvoorbeeld overvloedige regen in
droge woestijnen en droogte waar het normaal veel regent. AangeVoor de
samenleving en voor de economie is dat van groot belang: denk aan de
Peruaanse vissers, overstromingen, mislukte oogsten of juist
overvloedige jaren voor de boeren. Met satellieten en boeien wordt de
zeewatertemperatuur langs de evenaar gemeten, die aangeeft hoe sterk El
Niño is. Ook wordt het luchtdrukverschil tussen Tahiti en Darwin in de
gaten gehouden. Daaruit kan worden afgeleid hoe sterk de passaat is. Op
basis van deze gegevens worden voorspellingen van de sterkte van El
Niño en de gevolgen voor het weer over de wereld gemaakt, tot zo'n zes
maanden vooruit (seizoensverwachtingen). De invloed van El Niño op het
weer in Europa is relatief klein. Uit KNMI-onderzoek blijkt echter dat
een sterke El Niño in de winter vaak wordt gevolgd door een nat
voorjaar in ons land en omringende landen. De hoge wereldgemiddelde
temperaturen van 1997 en 1998 worden voor een deel toegeschreven aan de
zeer sterke El Niño. Ook zijn er aanwijzingen dat El Niño de laatste
twintig jaar van karakter is veranderd: er waren ongewoon veel warme
tijden (El Niño) en weinig koele (La Niña's). De oorzaak hiervan is
nog onbekend.
-
Noord Atlantische Oscillatie (NAO)
De recente warme periode in Nederland hangt deels samen met een
ongewoon sterke en standvastigheid van de Noord Atlantische index, een
maat voor het gemiddelde luchtdrukverschil tussen de Azoren en IJsland.
Een groot drukverschil gaat gepaard met een karakteristiek patroon van
sterkere westenwinden. In de winters geeft dit door zeewind warmer weer.
Uit waarnemingen is bekend dat de Noord Atlantische index onregelmatige
slingeringen vertoont. Deze slingeringen noemt men de Noord Atlantische
Oscillatie (NAO). Het is een natuurlijke, onregelmatige slingering die
vermoedelijk vooral te maken heeft met het chaotische karakter van de
atmosfeer. Onderzoek suggereert dat het broeikaseffect de NAO zou kunnen
beïnvloeden, maar duidelijkheid is er nog niet.
De activiteit van de zon vertoont een duidelijke cyclus van 11 jaar.
Als de zon actiever is vertoont haar oppervlak zowel meer zonnevlekken
als meer explosieve fakkels. Sinds 1979 zijn er nauwkeurige
satellietwaarnemingen beschikbaar waaruit blijkt dat de intensiteit van
de zonnestraling in de pas loopt met die 11-jarige cyclus van
zonneactiviteit. Maar de 11-jarige variaties in de zonnestraling zijn
klein en daarom verwacht men dat ze maar beperkte invloed hebben. In de
waarnemingen zijn ze dan ook niet of nauwelijks terug te vinden.
Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de activiteit van de zon ook langzame
variaties vertoont. Deze langzame variaties zouden wel een merkbare
invloed op het klimaat hebben en mogelijk hebben bijgedragen aan de lage
wintertemperaturen in de zeventiende eeuw en aan de opwarming in de
eerste helft van de twintigste eeuw. Verder onderzoek is echter gewenst.
Ook wordt wel gesuggereerd dat de zon nog op een andere manier dan via
de zonnestraling invloed zou kunnen hebben op het klimaat, maar dit is
nogal speculatief.
Grote vulkaanuitbarstingen kunnen veel stof in de atmosfeer brengen.
Dit stof reflecteert zonlicht en heeft daardoor een koelend effect.
Gewoonlijk verdwijnt het stof binnen een paar jaar vanzelf weer uit de
atmosfeer. Satellietwaarnemingen bevestigen dat sterke
vulkaanuitbarstingen een flinke invloed kunnen hebben op de warmtebalans
van de aarde. Zo wordt de tijdelijke onderbreking van de stijging van de
wereldgemiddelde temperatuur in 1992 en 1993 toegeschreven aan de
uitbarsting van de vulkaan Pinatubo op de Filippijnen in juni 1991.
Een andere bron van variatie is de oceaan, bijvoorbeeld wanneer
oceaanstromingen zich verleggen. We lazen al dat de oceaan bij het
ontstaan van El Niño een belangrijke rol speelt. Ook elders op aarde
hebben variaties in de oceaan invloed op het klimaat. Bepaalde
oceaanstromingen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in de atmosfeer.
Het klimaat in Europa wordt sterk beïnvloed door de noordwaartse
stroming in de Atlantische Oceaan die afkomt van de warme Golfstroom.
Volgens sommige berekeningen stopt deze stroming als er meer zoet water
komt in het noorden, bijvoorbeeld door meer neerslag of smeltwater van
gletsjers of ijskappen. Dit lijkt ongeveer 12000 jaar geleden ook al
eens gebeurd te zijn bij het afsmelten van het ijs van de laatste
IJstijd. Zo'n verandering zou tot een abrupte regionale
klimaatverandering kunnen leiden. Ook meteorietinslagen kunnen een
abrupte klimaatverandering teweegbrengen. Het uitsterven van de
Dinosauriërs (65 miljoen jaar geleden) zou veroorzaakt kunnen zijn door
de inslag van een meteoriet. Dergelijke inslagen zijn echter niet
voorspelbaar en daarom is het voor klimaatonderzoekers onmogelijk om er
in klimaatvoorspellingen rekening mee te houden.
Door industrie, ontbossing, verkeer, energieverbruik in het
huishouden, landbouw en veeteelt brengt de mens extra broeikasgassen in
de atmosfeer. CO2 is het belangrijkste broeikasgas. Niet alle CO2 die
uitgestoten wordt, blijft in de atmosfeer. Ongeveer de helft wordt
opgenomen door de oceaan en de biosfeer. Hoe en waar precies is nog
onduidelijk. De extra CO2, die wel in de atmosfeer blijft, is herkenbaar
afkomstig van fossiele brandstoffen. Andere broeikasgassen zijn methaan
(CH4), lachgas (N2O), CFK's en ozon (O3, zie kader). Door de toename van
de concentratie van broeikasgassen wordt het broeikaseffect van de
dampkring versterkt. Dit versterkte broeikaseffect leidt tot een warmer
klimaat en meer neerslag. De vraag is of we dat nu al waar kunnen nemen
en kunnen onderscheiden van natuurlijke klimaatveranderingen.
De mens brengt niet alleen broeikasgassen maar ook aerosolen in de
atmosfeer, bestaande uit zwevende druppeltjes en stofjes. Evenals
vulkanisch stof kaatsen ze het zonlicht terug. Daardoor hebben ze een
koelende werking. Op deze wijze maskeren ze de gevolgen van het
versterkte broeikaseffect. Aerosolen hebben daarnaast een effect op de
wolkenvorming. Er is nog weinig bekend over de precieze aard van deze
effecten. Tenslotte heeft ook verandering in landgebruik effect. Waar de
mens grootschalige veranderingen aanbrengt kan dit leiden tot
klimaatveranderingen.
Hoe werkt het klimaat?
De aarde wordt verwarmd door de zon. Een deel van de zonnestraling
wordt teruggekaatst; een ander deel wordt omgezet in warmte.
Broeikasgassen zoals waterdamp en CO2 zorgen ervoor dat een
deel van de warmtestraling van de grond wordt vastgehouden. Zonder deze
gassen zou de aarde veel kouder zijn. Wind en oceaanstromingen spelen
een belangrijke rol bij de verdeling van de warmte over de aarde. Die
warmtetransporten zorgen ervoor dat het temperatuurverschil tussen de
tropen en de polen niet veel groter is dan waargenomen. De relatie
tussen de atmosfeer, de oceaan, het landoppervlak, sneeuw en ijs, en de
biosfeer (bomen, plankton, enz) is van groot belang. Om een paar
voorbeelden te noemen: planten nemen CO2 op, de oceaan neemt
warmte op, ijskappen en woestijnen weerkaatsen zonnestraling sterker dan
bos en toendra en smeltend ijs maakt de oceaan minder zout. Deze
processen kunnen elkaar versterken of verzwakken. Zo leidt een opwarming
van de oceaan tot meer verdamping. Dat versterkt het broeikaseffect
waardoor de oceaan nog warmer wordt. De extra verdamping, die optreedt
als de oceaan warmer wordt, onttrekt anderzijds ook warmte aan de oceaan
en heeft daardoor een koelende werking op het zeewater. Ook dit zijn
maar voorbeelden; er zijn tal van effecten die elkaar beïnvloeden, wat
het zo lastig maakt om te doorzien hoe verstoringen in het
klimaatsysteem doorwerken.
Het klimaat in het
verleden
Het klimaat is een komen en gaan van koude tijden en warmere
periodes. Zo'n 140.000 jaar geleden was Noord-Europa bedekt met een
ijskap die zich tot aan de Utrechtse Heuvelrug uitstrekte. De zeespiegel
lag zo'n 120 m onder het huidige niveau. Kort daarop eindigde deze
IJstijd waarbij de temperaturen opliepen. Daarna volgde een nieuwe
IJstijd, die bijna 100.000 jaar duurde. Zo'n 18.000 jaar geleden begon
een snelle opwarming naar de warmere periode waarin we nu leven.
-
De afgelopen duizend jaar
Ook de afgelopen duizend jaar varieerde de temperatuur.
Opvallend waren in Europa een aantal warmere zomers in de Middeleeuwen
en het vaker voorkomen van koude winters in de vijftiende tot achttiende
eeuw. Deze laatste periode wordt wel de 'Kleine IJstijd' genoemd.
-
Warmterecords in de 20e eeuw
Het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur van de laatste 143
jaar is bepaald op basis van temperatuurmetingen op land en op zee.
Hierbij is veel moeite gedaan om voor alle mogelijke onnauwkeurigheden
te compenseren, tot aan het effect van verstedelijking toe. Voor het
eind van de negentiende eeuw wijken de bepalingen van de
wereldgemiddelde temperatuur naar schatting niet meer dan 0,1 à 0,2
graad af van de werkelijke waarden; in de twintigste eeuw is de
wereldgemiddelde temperatuur nauwkeuriger gemeten. Er zijn duidelijke
trends in temperatuur te zien, met daarnaast ook grote variaties van
jaar tot jaar. Van 1908 tot 1944 is het warmer geworden, en ook weer
vanaf 1975. Sinds 1983 is het record van de meetreeks herhaaldelijk
bijgesteld. In 1998 was de wereldgemiddelde temperatuur 14,6 graden. Dat
is 0,9 graden boven het gemiddelde van 1856-1899, en op basis van
verscheidene aanwijzingen waarschijnlijk het warmste jaar van de
afgelopen duizend jaar! In totaal is de wereldgemiddelde temperatuur in
de twintigste eeuw met ongeveer 0,6 graden gestegen.

-
Temperatuur-en neerslagveranderingen in Nederland
De recente periode met wereldwijd gemiddeld warme jaren valt deels
samen met een serie warme jaren in Nederland. De laatste twintig jaar
van de eeuw waren hier gemiddeld 0,7 graden warmer dan de eerste twee
decennia. Vooral sinds 1987 was het opmerkelijk warm: vrijwel alle jaren
daarna horen tot de warmste van de twintigste eeuw. De warmste jaren van
de afgelopen honderd jaar in ons land waren 1990, 1999 en 2000, met
gemiddeld 10,9 graden tegen 9,4 normaal. Voor een heel jaar is dat een
enorme afwijking. Ook viel er in de tweede helft van de eeuw deels in
samenhang met het warme weer meer neerslag: alle winters met in De Bilt
meer dan 500 mm neerslag kwamen na 1960 voor. Bovendien stond 1998
helemaal in het teken van de regen en wateroverlast: met 1240 mm in De
Bilt was 1998 het natste jaar sinds het begin van de metingen.
-
Veranderingen in de samenstelling van de atmosfeer
Sinds 1750 is de concentratie van kooldioxide (CO2) in de atmosfeer
met zo'n 30% toegenomen. Deze verandering is toe te schrijven aan de
mens die fossiele brandstoffen, zoals steenkool, aardolie en aardgas
verbrandt. Ook de concentraties van andere broeikasgassen zijn onder
invloed van de mens aanzienlijk toegenomen. De hoeveelheid methaan (CH4)
is meer dan verdubbeld (145%), lachgas (N2O) is met 15% toegenomen en
alle chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) zijn door mensen geproduceerd.
Er zijn ook meer stofdeeltjes (aerosolen) in de atmosfeer gekomen. De
concentratie van ozon (O3) in de onderste tien kilometer van de
atmosfeer (de troposfeer) is verdubbeld. In de stratosfeer daarentegen,
op hoogtes tussen 10 en 40 km, is de hoeveelheid ozon juist afgenomen.
Deze afname wordt veroorzaakt door chloorverontreinigingen die vrijkomen
uit bovengenoemde CFK's.
Menselijke invloed op
klimaatverandering
Het klimaat verandert van nature, maar ook de mens heeft er invloed
op. De wereldgemiddelde temperatuur schommelt flink, maar er is sprake
van een stijging. Onderzoek hiernaar verschilt in details, maar de
studies hebben gemeen dat ze proberen om een of meerdere factoren van
klimaatverandering in rekening te brengen. In een studie van het KNMI is
gekeken naar het effect van variaties van de zonnestraling, van
vulkaanuitbarstingen en van El Niño. Daaruit blijkt dat de waargenomen
temperatuurtoename in de eerste helft van de 20e eeuw aan
natuurlijke oorzaken kan worden toegeschreven: een afname van
vulkaanactiviteit, nadat die aanvankelijk nogal sterk was, en een
toename van zonneactiviteit. In de tweede helft van de 20e
eeuw kunnen natuurlijke oorzaken de waargenomen snelle stijging niet
verklaren: de zonneactiviteit nam nauwelijks verder toe, terwijl er
sinds 1960 drie grote vulkaanuitbarstingen zijn geweest. Als we deze
factoren aftrekken van de waarnemingen blijft een signaal over dat
consistent is met de verwachte menselijke invloed. Andere studies komen
tot vergelijkbare conclusies, ofschoon die studies onderling nog
aanzienlijk verschillen in hun schattingen van de verschillende
natuurlijke effecten.
Het gezaghebbende Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC),
opererend onder de vlag van het United Nations Environment Program
(UNEP) en van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), stelt dat het
zeer waarschijnlijk is dat een deel van de opwarming sinds de tweede
helft van de twintigste eeuw door menselijk handelen is veroorzaakt.
Sterker nog, waarschijnlijk komt het merendeel van de opwarming op
rekening van de mens. Recent onderzoek van het KNMI geeft aan dat de
opmerkelijk warme periode aan het eind van de twintigste eeuw in
Nederland deels samenhangt met de wereldwijde opwarming. Ongeveer de
helft van de opwarming sinds de jaren '60 kan hiermee verklaard worden,
de andere helft hangt samen met de grilligheid van het Nederlandse
klimaat.
Een klimaatvoorspelling voor de
komende eeuw(en)
We zouden graag willen weten welk klimaat we in ons land en op andere
plaatsen in de wereld in de toekomst kunnen verwachten. Voor de
temperatuur gemiddeld over de hele aarde zijn voorspellingen voor de 21e
eeuw redelijk goed te maken. Zonder klimaatbeleidsmaatregelen verwacht
het IPCC voor de komende eeuw:
- Stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur met 1 tot 3,5 graden
- Toename van de hevigheid van regenbuien
- Stijging van de zeespiegel met 15 tot 95 cm
Een stijging van de wereldgemiddelde temperatuur met 1 tot 3,5 graden
in honderd jaar is waarschijnlijk de afgelopen tienduizend jaar niet
eerder voorgekomen. Het is niet ondenkbaar dat de wintertemperaturen in
Nederland de komende tien jaar juist wat zullen dalen ten gevolge van
een natuurlijke schommeling in de Noord-Atlantische Oscillatie. Een mogelijk
scenario voor Nederland voor de rest van de 21e eeuw schetst het
KNMI in zijn derde klimaatrapportage
(1999), gebaseerd op de conclusies van het IPCC:
- Stijging van de temperatuur vergelijkbaar met die van het
wereldgemiddelde
- Verkorting van de duur van strenge winters
- Meer neerslag in de winter met toe name van enkele procenten per
graad warmer
- Intensievere regen in situaties met langdurige hevige
winterneerslag
- Zwaardere buien in de zomer
Over het klimaat (ruim) na de 21e eeuw kunnen we alleen maar
speculeren. Volgens de scenario's van het IPCC zullen de effecten van
verhoogde broeikasgasconcentraties nog lang merkbaar zijn. En daarna,
volgens sommigen pas over veertigduizend jaar, komt er misschien wel
weer een ijstijd, maar dat is zelfs voor de generaties na ons nog erg
ver weg.

Hoe betrouwbaar zijn deze voorspellingen?
Bij de bovengenoemde IPCC voorspellingen is geen rekening gehouden
met de mogelijke effecten van uitstootbeperkingen door gericht
klimaatbeleid. De marges in de voorspellingen worden voor een groot deel
veroorzaakt door onzekerheid over uitstoot en veranderingen in de
samenstelling van de atmosfeer. Die komen weer voort uit onzekerheid
over bevolkingstoename, economische groei en technologische
ontwikkelingen. Klimaatprognoses worden gemaakt aan de hand van
rekenmodellen, van onder andere atmosfeer, oceaan, ijsbedekking en
vegetatie. Deze modellen zijn redelijk goed in staat het huidige klimaat
na te bootsen. In grote lijnen stemmen de voorspellingen van
ingewikkelde modellen overeen met wat onderzoekers verwachten op grond
van eenvoudiger theoretische overwegingen. Dat neemt niet weg dat er ook
bij een voorgeschreven samenstelling van de atmosfeer onzekerheden zijn.
Een aanwijzing voor de grootte van die onzekerheden krijgen we als we de
uitkomsten van verschillende modellen onderling vergelijken. Dat geeft
inzicht in de betrouwbaarheid van de voorspellingen, maar ook in de
zwakke punten. Zo is het bekend dat de de verandering van de hoeveelheid
neerslag moeilijk te voorspellen is, dat invloed van wolken beter moet
worden beschreven, en dat de invloed van de oceaan beter in kaart moet
worden gebracht. Ook verwacht men op grond van dit soort vergelijkingen
dat met grotere computers betere regionale voorspellingen mogelijk zijn.
Over de voorspelbaarheid van het klimaat is het laatste woord nog niet
gesproken. Zo is de kleine kans op een abrupte klimaatverandering niet
verwerkt in de IPCC prognoses, simpelweg omdat daarover nog onvoldoende
bekend is. Zekerheid bieden de modellen dus niet, maar ze zijn eenvoudig
het beste waarover we beschikken.
Effecten van klimaatverandering
De gevolgen van klimaatverandering kunnen groot zijn en van regio tot
regio verschillen:
- gletsjers trekken zich terug, de hoeveelheid voorjaarssneeuw neemt
af, nachttemperaturen stijgen en het aantal vorstperiodes daalt;
- de zeespiegel stijgt en overstromingen kunnen het gevolg zijn;
- gematigde zones krijgen te maken met meer neerslag, terwijl
woestijn-, steppe- en mediterrane zones gebukt gaan onder hevige en
langdurige droogtes;
- de versnelde verandering van het klimaat kan wellicht tot
hongersnood leiden in de ene regio en tot een verbeterde
plantengroei in de andere.
Vast staat dat er wereldwijd grote ongerustheid is ontstaan over de
gevolgen van de toename van de wereldtemperatuur en de stijging van de
zeespiegel, zoals het IPCC die voor het eind van de 21e eeuw voorziet.
Daarom hebben meer dan 100 landen in Kyoto
bindende afspraken gemaakt om de emissies van broeikasgassen wereldwijd
terug te dringen.
Hoe kunnen we de menselijke invloed beperken?
De belangrijkste maatregel die iedereen kan nemen is minder energie
verbruiken of overschakelen op schone energie, zoals groene stroom. Ook
regeringen proberen tot afspraken te komen om de uitstoot van
broeikasgassen te beperken. In 1991 begonnen de eerste internationale
klimaatonderhandelingen die hebben geleid tot de ondertekening in 1992
van het klimaatverdrag in Rio de Janeiro. Het uiteindelijke doel van het
klimaatverdrag is om gevaarlijke menselijke beïnvloeding van het
klimaat te voorkomen. Zo moeten ecosystemen zich nog aan kunnen passen
aan de veranderingen, mag de voedselproductie niet in gevaar komen en
moet de economische ontwikkeling op duurzame wijze plaats kunnen vinden.
In de Europese Unie is afgesproken dat op basis daarvan de temperatuur
uiteindelijk niet meer dan 2 graden mag stijgen boven het gemiddelde van
voor het industriële tijdperk, rond 1750. Om dat te bereiken zijn
wereldwijde reducties van meer dan 50% nodig in de komende eeuw. Door de
verwachte economische groei van de ontwikkelingslanden zou dat wel eens
kunnen uitkomen op een reductie van 80% voor de rijke landen. Het RIVM
vergelijkt dat met een veilige landing van een vliegtuig. "Het
toestel mag de grond niet te vroeg raken, omdat het dan verongelukt,
maar ook niet te laat, zodat er nog voldoende remweg over is." De
vergelijking met het klimaat gaat volledig op. "De uitstoot mag
niet te snel afnemen want dat zou de economie schaden, maar ook niet te
langzaam omdat we dan het risico lopen van een te grote en te snelle
klimaatverandering en zeespiegelstijging".
(terug naar boven)
Kyoto Protocol
De afspraken in het klimaatverdrag bleken al gauw niet voldoende om
het uiteindelijke doel te halen. Probleem was onder andere dat de
afspraken niet bindend waren. Na twee jaar moeizaam onderhandelen werden
een groot aantal landen het in 1997 in Kyoto eens over de tekst van het
Protocol, ter aanvulling van het klimaatverdrag. Het verplicht de
geïndustrialiseerde landen de uitstoot van broeikasgassen in 2010
gemiddeld 5% onder het niveau van 1990 te brengen. Voor Nederland is dat
6%. De maatregelen om dat te bereiken staan in de Uitvoeringsnota
Klimaatbeleid van de Nederlandse Regering. In die nota is ook
vastgesteld dat de Kamer het voorzorgsprincipe hanteert: ook al zijn er
onzekerheden, de mogelijke gevolgen zijn zo ingrijpend dat we wel
maatregelen moeten nemen. Als het Kyoto Protocol door alle betrokken
landen wordt uitgevoerd is dat een eerste stapje op weg naar het
beperken van klimaatveranderingen. Zichtbare resultaten kunnen pas
verwacht worden als er nog vele stappen volgen.
Belangrijke stoffen
en broeikasgassen in de atmosfeer
Ozon
Ozon komt voor zowel in de troposfeer (ruwweg de onderste 10 km
van de dampkring) als in de stratosfeer (de laag daarboven). De
concentratie van troposferisch ozon, een broeikasgas, is
toegenomen en dit draagt bij aan de opwarming van de aarde. De
concentratie van stratosferisch ozon is juist afgenomen. Deze
afname heeft weinig effect op de temperatuur op het
aardoppervlak. Het stratosferisch ozon is echter van groot
belang voor het filteren van schadelijke UV-B straling in
zonnestraling.
Door een te laag ozongehalte neemt de hoeveelheid UV-B straling
toe die het aardoppervlak
bereikt. Dit kan veel schade toebrengen aan het DNA van de mens.
UV-B is de belangrijkste oorzaak van
huidkanker.
De afname van stratosferisch ozon wordt veroorzaakt door
chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's). Ozon wordt normaal in de
atmosfeer afgebroken tot zuurstof
(O2) met behulp van een
katalyserende stof. Dit kan OH, NO, Cl of Br zijn. Omdat deze
katalysator niet word verbruikt, kan de aanwezigheid van chloor (Cl)
of broom (Br) al in zeer lage concentraties een beduidend effect
uit oefenen op het ozongehalte. Van nature aanwezig chloor
zorgt voor instandhouding van de evenwichtswaarde van ozon in de
atmosfeer. Door menselijke activiteiten worden echter veel gehalogeneerde
koolwaterstoffen in de lucht gebracht, waardoor dit evenwicht verbroken wordt.
Internationaal zijn maatregelen genomen om de productie van
CFK's te beperken. Als de afspraken goed worden nageleefd, zal
de ozonlaag zich langzaam herstellen, nadat de hoeveelheid
ozonafbrekende stoffen naar verwachting rond de eeuwwisseling
een hoogtepunt bereikt heeft. Het broeikaseffect kan echter voor
vertraging zorgen. Volgens de theorie van het versterkte
broeikaseffect gaat de opwarming van de troposfeer gepaard met
een afkoeling van de stratosfeer. Dit kan het herstel van de
ozonlaag vertragen.
De belangrijkste stoffen die het ozongehalte beïnvloeden
staan hiernaast genoemd.
|
CCl4 en
1,1,1-trichloorethaan
koolstoftetrachloride (CCl4) en
1,1,1-trichloorethaan zijn chloorbevattende stoffen die een schadelijk effect
hebben op de
ozonlaag.
1,1,1-trichloorethaan wordt gebruikt als reinigingsmiddel
en als oplosmiddel, koolstoftetrachloride voor het chloreren van
organische stoffen, bij de productie van CFK's en als
oplosmiddel. |
CFK's
Chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) werden gebruikt als koelvloeistof, als drijfgas in spuitbussen, als
oplosmiddel bij een groot aantal verfproducten. Deze stoffen
hebben eveneens een negatief effect op de ozonlaag. |
Halonen en
methylbromide
Halonen worden gebruikt als brandblusmiddel. Methylbromide
vindt vnl. toepassingen in de landbouwsector, voor het
ontsmetten van bodems, maar ook voor het desinfecteren van
silo's, molens, enz. Halonen en methylbromide onderscheiden zich
van de CFK's door het feit dat ze broom bevatten. Broom bezit
een veel hogere capaciteit dan chloor voor het afbreken van
ozon. Men vermoedt dat ongeveer de helft van de broom aanwezig
in de atmosfeer van natuurlijke oorsprong is, maar het aandeel
van antropogene broom neemt snel toe. Indien men de concentratie
van broom in de atmosfeer niet beperkt, dan zal de effectiviteit
van de reductie van chlooremissies sterk verminderen. |
HCFK's
HCFK's onderscheiden zich van de CFK's doordat de
koolstofatomen niet volledig bezet zijn met chlooratomen, maar
ook waterstof bevatten. Hierdoor is hun effect op de ozonlaag
geringer, alhoewel niet onbeduidend. In een aantal toepassingen
kunnen zij de CFK's vervangen. Daar zij echter eveneens afbraak
van ozon veroorzaken, is dit slechts een tijdelijke oplossing
tot wanneer milieuvriendelijke alternatieven worden ontwikkeld. |
Over het klimaat en klimaatverandering is heel veel informatie
beschikbaar. Er zijn een vijftal sites waar we je op dit moment naar
willen verwijzen. Daar is meer informatie over klimaatverandering te
vinden.

Copyright © 2010 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.
|