![]()
Groene bladeren van loofbomen bevatten het groene chlorofyl. Deze
pigmenten zorgen voor de energievoorziening van de plant. Chlorofyl kan
met behulp van zonlicht organische stoffen maken (zoals suikers, zetmeel en dergelijke)
uit koolstofdioxide (CO2) en water (H2O). Hierbij
komt zuurstof (O2) vrij. Het chlorofyl absorbeert het
gehele zichtbare spectrum van het zonlicht, behalve groen. Het groene
licht wordt terug gekaatst, zodat wij de planten als groen waarnemen.
|
![]() |
![]() |
![]() |
| Lijsterbes, vruchten | Eenstijlige Meidoorn | Gewone vlier, vruchten |
Bladval in de herfst
Door het blad te laten vallen beschermt een boom zich tegen
uitdroging. Het door de wortels opgenomen water verdampt via de
huidmondjes in de bladeren. Als de boom in de winter zijn blad
niet zou verliezen treedt verdroging op, doordat de verdamping in dit
seizoen groter zou zijn dan de wateropname. In de herfst en winter is
wateropname voor de boom moeilijk doordat het water in de bodem bevroren
kan zijn. Ook kunnen de wortels bij lage
temperaturen minder makkelijk water opnemen, terwijl de verdamping via de
bladeren in veel mindere mate temperatuurafhankelijk is.
Een belangrijke factor die bij de timing van bladval een rol speelt is de daglengte. De productie
van een aantal belangrijke plantenhormonen is hiervan afhankelijk, waaronder
de productie van auxine. Auxine
wordt door de plant in de bladeren aangemaakt. Het verhindert de vorming van
een
kurklaagje tussen het blad en de steel. Dit kurklaagje is weer verantwoordelijk voor het afvallen van de bladeren,
en zorgt ook dat de boom niet uitdroogt. Deze laag wordt onder invloed van
het hormoon abscisinezuur ontwikkeld. Deze laag tussen de bladsteel en de tak wordt ook wel scheurweefsel
genoemd. Abscisinezuur wordt gevormd door de afbraak van
carotenoïden, vooral in de bladgroenkorrels van verouderende
bladeren.
Temperatuur
speelt ook een belangrijke rol bij de bladval. De
productie van auxine wordt namelijk ook gereguleerd door
temperatuur. Bij een lagere temperatuur wordt minder auxine
aangemaakt. In de herfst neemt de daglengte af en daalt ook de temperatuur.
Beide
factoren zorgen ervoor dat de productie van auxine afneemt.
Hierdoor wordt de vorming van het
kurklaagje door abscisinezuur steeds minder geremd. Als het kurklaagje zich eenmaal heeft gevormd zal het blad afvallen, omdat
dan alleen nog de nerven (vaatweefsel) nog een echte verbinding tussen bladsteel en tak
vormen. Deze verbinding alleen is te zwak voor het gewicht van het blad dat
tenslotte afbreekt onder zijn eigen gewicht, soms versneld door andere krachten
als wind en regen.
Naaldbomen
Een andere oplossing voor het uitdrogingsprobleem in de winter, is het
tegengaan van verdamping. De overlevingsstrategie van de meeste naaldbomen is
hierop gebaseerd. Met een gering bladoppervlak dat extra beschermd is, wordt
uitdroging voorkomen. De huidmondjes, waar de plant koolstof en zuurstof mee uitwisselt,
liggen dieper dan bij plant met bladeren. Door deze huidmondjes kan ook
waterdamp verdampen, waardoor een plant kan uitdrogen. De diepere
ligging van de huidmondjes voorkomt uitdroging. Ook bevatten naaldbomen
vaak stoffen die als antivries dienen. Dit zijn meestal suikers (glucose).
De Europese lariks
vormt onder de naaldbomen op deze strategie een uitzondering. Deze soort verliest net als de meeste loofbomen
in de winter zijn ‘blad’ en is mede daarom geschikt als boomsoort in het Natuurkalender-project. Het moment
van bladontplooiing is immers goed vast te stellen doordat de boom voorafgaand daaraan geheel kaal is.
Hulst is, als altijd-groene loofboom, in zekere zin de tegenhanger van de
Europese Lariks. Hulst heeft min of meer dezelfde strategie tegen het verdampingsprobleem
als de meeste naaldbomen: een leerachtig blad, voorzien van een stevige waslaag. Daardoor is
deze soort in staat met behoud van bladeren de winter door te komen zonder uit
te drogen. Zonder bladval, geen geschikte soort voor De Natuurkalender dus.
Remmende werking hormonen
Het hierbovengenoemde hormoon abscisinezuur is er ook de
oorzaak van dat dormante vruchten en zaden die in het najaar
op de grond vallen niet direct gaan kiemen wanneer in het najaar de
kiemingsfactoren als temperatuur, vochtigheidsgraad en lichtsterkte
nog gunstig zijn. Dormantie is een eigenschap waarbij zaden
een verplichte rust ondergaan. Ook wordt het uitlopen van de knoppen
tijdens de herfst geremd. Abscisinezuur wordt langzaam
afgebroken, en onder gunstige omstandigheden in het voorjaar kunnen
knoppen wel uitlopen en zaden ontkiemen. De kieming wordt
gestimuleerd door het kiemingshormoon gibberellinezuur.
Dormante zaden produceren veel abscisinezuur, in tegenstelling tot
niet-dormante zaden.
Voorjaar
In het voorjaar reageren bomen op de hoger wordende temperatuur, vooral als
de grond opwarmt. In de wortels neemt dan de druk van de sapstroom toe,
waardoor het water naar takken en twijgen wordt gepompt en de bomen weer
uitlopen. Ook het hormoon abscisinezuur (vroeger dormine) is verantwoordelijk voor
het uitkomen van de knoppen. Het wordt in het blad aangemaakt tijdens de
groeiperiode. Vervolgens hoopt het hormoon zich op in de knop, en zorgt
ervoor dat de knop in rusttoestand komt te verkeren. Hierna wordt het abscisinezuur
geleidelijk afgebroken. Dit gebeurt alleen bij lage temperaturen.
Hiermee wordt voorkomen dat na een paar warme winterdagen de knoppen al
uit kunnen lopen. Wanneer het abscisinezuur is afgebroken en de
temperatuur is nog te laag, wordt het uitlopen van de knoppen
tegengegaan doordat er nog niet voldoende water kan worden opgenomen.

Het uitlopen van de knop bij de Beuk
(Fagus sylvatica)
![]() |
| Sleedoorn, bloei |
In het voorjaar zijn de Els en de Hazelaar vaak de eerste
houtgewassen die bloeien. Deze soorten bloeien al voordat er blad aan de
plant zit. Bij de Els
(Alnus incana) hangen in
de herfst al kant en klare katjes aan de bomen, in de vorm van stijve
rolletjes. De lange katjes zijn de mannelijke, de korte vrouwelijk. De
vrouwelijke bloemen van de Hazelaar
(orylus avellana) zijn de vrouwelijke bloemen klein en onopvallend, maar ze hebben een dieprode
kleur. De mannelijke katjes hangen naar beneden. Ook de Sleedoorn
(Prunus spinosa) bloeit
al voordat er blad aan de struik zit.
Bijna alle boomsoorten die in het voorjaar bloeien verspreiden hun
stuifmeel via de wind. De stuifmeelkorrels kunnen ongehinderd van de
mannelijke bloemen naar de vrouwelijke waaien, omdat er nog geen
bladeren zijn die dat kunnen verhinderen.
Wanneer in het voorjaar nog weinig blad aan de bomen zit en veel licht
de bosbodems kan bedekken, gaan de bodembedekkers bloeien. Dit zijn
soorten als Gewoon sneeuwklokje, Bosanemoon
en Maarts viooltje.
Copyright © 2010 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.