![]()
Zomervogels, wintervogels, doortrekkers en
standvogels Vogels die niet trekken en die dus het hele jaar zo'n beetje in de
omgeving van hun broedgebieden te vinden zijn noemen we standvogels.
Het aantal soorten standvogels is niet zo groot. Een paar voorbeelden
zijn: Koolmees, Winterkoning, Zwarte kraai, Ekster, Boomklever en Huismus.
Deze soorten kun je
het hele jaar tegenkomen, maar vogels die je het hele jaar door tegenkomt
hoeven niet allemaal standvogels te zijn. De Merel bijvoorbeeld kun je het
hele jaar door zien, maar een deel van de Merels die in Nederland
broeden, trekken in de herfst naar Zuidwest-Europa en Engeland. Uit
noordelijkere landen komen dan Merels naar Nederland om hier de winter
door te brengen.
| |||||||||||||||||
![]() |
| Afbeelding: Grutto. De Grutto is een zomervogel in Nederland. Het grootste deel van de West- en Middeneuropese populatie broedt in ons land. |
Globaal gezien vliegen vogels van noord of noordoost naar zuid. Er zijn echter gebieden waar de vogel in één keer moet overvliegen, zoals de Sahara. Hier kunnen vogels geen voedsel vinden en zullen dus in een keer deze barrière moeten oversteken. Ook grote zeeën zoals de Middellandse zee moeten ze in een keer oversteken. Hier zie je vaak concentraties van vogels op plekken waar de overtocht het smalst is, de zogenaamde stuwingen. Vogels die van thermiek gebruikmaken, moeten over land trekken. Wad- en watervogels trekken bij voorkeur waar mogelijk over gebieden waar ze voedsel kunnen vinden. Bij de vogeltrek over Nederland zie je dat langs de kust stuwing optreedt, omdat vogels niet graag over water vliegen. In het noorden van Nederland is de trek meer westelijk georiënteerd dan in midden- en zuid-Nederland. Dit komt door stuwing van de noord-zuid trekkende vogels langs de westkust van Denemarken. Noord-zuid vliegende vogels gaan hierdoor oostelijk aan Noord Nederland voorbji. Trek van oost naar west komt wel langs noordwest Nederland.
Timing van vertrekVaak vertrekken trekvogels al wanneer het weer en het voedselaanbod nog goed zijn. Omgevingsfactoren hebben dus blijkbaar geen of weinig invloed op de vertrekdatum. Proeven hebben aangetoond dat de timing van trek vaak afhankelijk is van de totale hoeveelheid licht, de daglengte is hier dus bepalend. Verandering van daglengte brengt fysiologische veranderingen teweeg die grote invloed hebben op de stofwisseling. Zo kunnen vogels in korte tijd een vetreserve aanleggen, voldoende voor de lange vliegreis. Wanneer het lichaam van de vogel is voorbereid op de trek, kan de neiging om te beginnen met de trek onder invloed van het weer of van andere factoren worden opgeroepen. De vogelsoorten waarbij hun interne klok zegt wanneer weg te trekken, hebben maar weinig tijd nodig om van trekneiging tot trekdrang te komen en te vertrekken. Dit zijn over het algemeen de lange-afstandtrekkers. Vogels waarbij het moment van vertrek bepaald wordt door het weer, kunnen soms maandenlang wachten op het doorslaggevende signaal, zoals een plotselinge temperatuursdaling. Weersomstandigheden spelen een grote rol bij bepaling van het moment van wegtrekken bij korte-afstandtrekkers.
Ontstaan van vogeltrekHet trekinstinct bij vogels zou zijn ontstaan onder invloed van omstandigheden als temperatuurdaling, voedseltekort en een tekort aan daglicht. Trekvogels wachten echter niet tot het te laat is, maar verlaten het broedgebied als er nog genoeg voedsel aanwezig is. Ze komen terug op een tijdstip waarop de temperatuur alweer hoog genoeg is en er nog voldoende tijd is om jongen groot te brengen.
Een theorie die dit kan verklaren is de volgende: de neiging om weg te trekken is ontstaan aan het einde van de laatste grote IJstijd. De ijskap smolt steeds verder af en zo werden de noordelijke gebieden van de wereld geleidelijk beter bewoonbaar in het zomerhalfjaar. Zo kwamen er steeds meer nieuwe voedselgebieden voor de vogels bij. Veel vogelsoorten die door de ijstijd gedwongen waren geweest naar het zuiden te vluchten, konden nu weer naar het noorden opdringen waar de dagen langer duurden en waar veel voedsel te vinden was om hun jongen groot te brengen. Omdat de winters hier te koud waren om te overleven moesten ze voor de winter inviel weer weg zijn. De vogels die op tijd wegtrokken konden de winter in een warmer gebied doorkomen. Zij die de zomer daarop weer terugkeerden, vonden opnieuw grote hoeveelheden voedsel. Naarmate meer land onder het ijs te voorschijn kwam, werden de afstanden die ze moesten overbruggen ook steeds groter, omdat steeds meer vogels deze gebieden gingen gebruiken in de zomer. Door evolutie is de drang om te trekken in de vogel ingebouwd, net als de bepaling van het moment waarop de trek moet aanvangen en de richting.
Wanneer trekken vogels?De grootste en meest massale trekbewegingen vinden in het najaar plaats. De eerste vogels al uit West- Europa beginnen echter al weg te trekken als het nog volop zomer is, rond eind juli. De zomertortel en de Wielewaal bijvoorbeeld vertrekken dan al. In augustus en tot ver in september vertrekken de insecteneters en van oktober tot diep in november verlaten de spreeuwen, lijsterachtige en zaadetende zangvogels hun broedgebied. Dit verschil wordt veroorzaakt door de beschikbaarheid van voedsel. Om te trekken hebben vogels grote vetreserves nodig. De insectenetende vogels leggen deze aan in de zomer als er een overvloed aan insecten is. De zaadeters die in het algemeen minder ver weg trekken, hebben wat langer de tijd omdat veel zaden ook langer beschikbaar blijven dan insecten, evenals de talloze bessen voor lijsters en spreeuwen. De voorjaarstrek, wanneer de vogels terugkeren naar hun broedgebied, is minder massaal dan de najaarstrek. Er keren veel minder vogels terug dan in de voorgaande herfst vertrokken. Tijdens de reis komen vogels veel gevaren tegen: jacht en obstakels, en insecticiden tijdens de overwintering.
Dag- en nachttrek|
|
|
Afbeelding: Koperwiek |
Vogeltrek vindt zowel overdag als 's nachts plaats. Vogels die van
thermiek gebruik maken, vliegen overdag.
Hun trek komt rond het middaguur op gang, omdat de lucht eerst moet opwarmen. Vogels die dit doen zijn onder andere roofvogels
zoals Buizerden, en Ooievaars.
Water proberen ze te vermijden: waar het moet steken ze water over op de smalst mogelijke verbindingen
tussen land.
Koperwieken, Kramsvogels
en
Zanglijsters kun je 's avonds horen
wanneer ze overtrekken, maar trekken ook
overdag. Ook eenden, zwanen, ganzen en steltlopers vliegen zowel 's
nachts als overdag. Kleine insectenetende vogels vliegen alleen 's
nachts, zodat ze overdag genoeg voedsel kunnen verzamelen. Dit zijn
onder andere Roodborst, Grasmus en
Zwartkop. Kwikstaarten, piepers en
vinken vliegen alleen overdag. Veel soorten hebben een voorkeur voor het
begin van de ochtend: vinken en Graspiepers kom je vooral 's
ochtends vroeg tegen, terwijl zwaluwen en gierzwaluwen de hele dag
trekken.
OriëntatieRecent onderzoek heeft aan het licht gebracht dat vogels zich oriënteren op bepaalde hemellichamen. Dagtrekvogels maken gebruik van de stand van de zon terwijl nachttrekkers zich voornamelijk richten op de poolster en de sterren in de omgeving van de poolster. Daarnaast maken vogels natuurlijk ook gebruik van oriëntatie op de grond. Vooral de hoogvliegende vogels zullen hiervan veel gebruik maken omdat zij grote stukken land kunnen overzien. Vooral rivieren en kanalen die in noord-zuid richting lopen worden vaak gebruikt. Ook het aardmagnetisme is mogelijk van belang bij de navigatie van trekvogels. Experimenten met Roodborsten lieten zien dat deze vogels een soort magnetisch kompas bezitten, waarmee ze zich kunnen oriënteren op grond van het aardmagnetisch veld. Ook vissen als tonijn, zalm, en forel blijken hun koers mede te bepalen op magneetvelden, en ook haaien en salamanders zijn gevoelig hiervoor. Wetenschappers troffen in deze diersoorten stukjes magnetiet aan. Dit zijn ijzerhoudende kristallen, die als een kompasnaald het krachtveld registreren.
Ook voor een aantal vogelsoorten is aangetoond dat zij zich kunnen
oriënteren in een kunstmatig magnetisch veld waarvan de veldsterkte
gelijk is aan die van het natuurlijke, maar waarvan de richting afwijkt.
Aangenomen wordt dat deze vogelsoorten de richting van het magnetische
veld vergelijken met de zwaartekrachtvector. In theorie zouden vogels op
deze wijze in staat zijn om hun relatieve plaats tussen pool en evenaar
te bepalen. Hoe de vogels het aardmagnetisch veld waarnemen is nog
onduidelijk.
Zweedse wetenschappers hebben aangetoond dat ook het moment van foerageren
bepaald wordt door het aardmagnetisch veld. Door ringproeven wist men
dat de uit Zweden vertrokken Noordse nachtegalen pauzeren in
Noord-Egypte om op te vetten. Dit opvetten is nodig, omdat ze daarna non
stop vijftienhonderd kilometer over de Sahara moeten vliegen om hun
overwinteringsgebied in Midden-Afrika te bereiken. De wetenschappers
vingen een aantal jonge nachtegalen die nog niet eerder naar het zuiden
getrokken hadden. Werden deze in een kunstmatig magnetisch veld gezet
dat geleidelijk veranderde in de situatie van het aardmagnetisch veld in
Noord-Egypte, begonnen de vogels ineens meer te eten. Binnen vier dagen
werd een gemiddelde gewichtstoename van 3,5 gram gevonden per vogel. De
controlegroep nam gemiddeld 1,1 gram in gewicht toe.
Om de trekkoers aan te kunnen houden zijn de stand van de zon met de tijd van de dag belangrijk. Dit zonnekompas blijkt onafhankelijk van de hoogte, maar het azimut (de hoek tussen de projectie van de zon op de horizon en het noorden) is van belang. Zoals bekend komt de zon op in het oosten en het azimut is dus tijdsafhankelijk. Om een dergelijk zonnekompas te gebruiken, moet een vogel de azimut-tijdrelatie kennen. Vogels beschikken kennelijk over een intern tijdgevoel.
In de nacht wordt de navigerende rol van het zonnekompas overgenomen door een sterrenkompas waarmee de vogels zich feilloos op de sterren weten te oriënteren. Het grootste deel van de trekvogels vliegt 's nachts. 's Nachts trekken heeft als voordeel dat dit sterrenkompas te gebruiken is, terwijl overdag genoeg tijd is om voedsel te zoeken.
RuiVoordat vogels in het najaar aan te trek naar hun overwinteringsgebieden kunnen beginnen, moeten eeers hun veren verwisseld worden. Deze zijn na een broedseizoen vaak erg gesleten, en ze hebben goede veren nodig om efficiënt de lange afstanden af te kunnen leggen en ze te beschermen tegen kou en water. Ganzen en eenden verliezen in juli ineens al hun vleugelveren, en kunnen dan dus niet vliegen. Omdat ze ook zwemmend aan hun voedsel kunnen komen, kunnen ze dit doen. Roofvogels daarentegen ruien geleidelijk, want ze moeten vliegend aan de kost kunnen komen. Sommige trekvogels ruien buiten hun broedgebied, andere ruien eerst en trekken dan weg.
Copyright © 2010 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.