Natuurkalender
Nieuws en agenda
Meedoen
Scholen
Projecten
Waarnemingen
Informatie soorten
Achtergrondinformatie
Links
Zoeken
Landbouw
Teken
Hooikoorts
Eikenprocessierups
Ganzen

Verandering in areaal vogels

Een opwarmend klimaat heeft ook gevolgen voor de vogelwereld. Sommige trekvogels komen in het voorjaar eerder in hun broedgebieden aan, en een aantal soorten komen eerder tot broeden. Naast deze fenologische verschuivingen verandert ook het habitat voor de vogels. Een warmer Nederland wordt aantrekkelijker voor soorten die normaal een meer zuidelijke verspeiding hebben. Ook van oudsher inheemse soorten als ijsvogel en roerdomp profiteren van de warmere winters. In strenge winters kunnen populaties van deze soorten gedecimeerd worden. In de zachte winters van 1997 tot 2003 heeft de ijsvogel een ongekende groei kunnen doormaken, en ook de roerdomp neemt weer in aantal toe.

Enkele soorten die in de landen ten zuiden van ons broeden, lijken langzaam naar ons land op te schuiven. Het is de verwachting dat er een paar soorten binnen afzienbare tijd hun opwachting zullen maken in in ons land. Hieronder staan enkele soorten waarvan we verwachten dat we ze steeds vaker zullen gaan zien.

Zilverreigers

Kleine zilverreiger

Een soort die hier inmiddels al een aantal jaar broedt is de kleine zilverreiger (Egretta garzetta). Deze soort heeft zich in Eurazië en Afrika weer behoorlijk hersteld na de jarenlange vervolging omwille van de veren. De soort heeft wettelijke bescherming gekregen en kon zich daardoor weer uitbreiden. Het eerste broedgeval in Nederland vond plaats in 1994. Sindsdien is de soort een regelmatige broedvogel aan het worden met inmiddels enkele tientallen broedparen.

Ook de grote broer van de kleine zilverreiger, de grote zilverreiger (Egretta alba) broedt inmiddels in ons land, maar het is niet echt een zuidelijke soort. De kern van de broedgebieden voor deze soort liggen in Oostenrijk (Neusiedlersee) en Hongarije. In 1978 broedde het eerste paar grote zilverreigers in de Oostvaardersplassen. Nadien blijft het wat kwakkelen met de aantallen, maar halverwege de jaren negentig kwam dan toch de definitieve vestiging. In 2003 werden maar liefst 53 paren in de Oostvaardersplassen broedend vastgesteld. De verbetering van de waterkwaliteit zorgde voor een betere visstand. Kleine visjes zijn voor een oogjager als de grote zilverreiger van levensbelang. Mogelijk dat ook de minder strenge winters de soort in de kaart spelen, want ze trekken in de winter liever niet weg en hebben dan natuurlijk wel open viswater nodig voor hun overleving.

Orpheusspotvogel
De opvallendste zuiderling is de orpheusspotvogel (Hippolais polyglotta). In het warme jaar 2003 werden er van de orpheusspotvogel maar liefst acht exemplaren waargenomen. In Zoetermeer en de Mariapeel zaten gedurende een aantal weken orpheusspotvogels te zingen.

De orpheusspotvogel is het zuidelijke broertje van de spotvogel. De spotvogel is een vrij algemene broedvogel in Nederland die begin mei terugkeert uit zijn winterkwartier. Spotvogels en orpheusspotvogels lijken heel erg op elkaar en zijn nauwelijks uit elkaar te houden. Alleen de zang en de biotoopkeuze is anders. Orpheusspotvogels brabbelen meer, zonder lange uithalen en zitten meer in struwelen en kleine bosjes. Spotvogels zijn meesterlijke imitators van andere vogelsoorten en hebben meer uithalen in hun zang dan hun zuidelijke broers. Ze hebben een voorkeur voor boomgroepen met hoge bomen en dichte struiken. In Nederland tref je ze dan ook voornamelijk aan in erfbeplantingen, singels, parken en jonge aanplant.

Broedende orpheusspotvogels zijn in 2003 nog niet vastgesteld. Nog niet, omdat verwacht wordt dat orpheusspotvogels de komende jaren vastere voet zal krijgen in ons land. Ze komen vanaf zuidoost-België naar het zuiden toe voor. De laatste jaren zijn ze opgerukt naar Midden- en Noord-België. De soort broedt daar inmiddels met tientallen paren. De oorzaken van deze verschuiving zijn niet zeker, de soort lijkt zijn habitatkeuze verruimd te hebben, maar de klimaatverandering speelt hem zeker in de kaart.

Graszanger
De 'zip'-zanger zoals de graszanger (Cisticola juncidis) ook wel genoemd wordt, is een beetje een zorgenkindje onder de vogels. Deze kleine gestreepte insecteneter houdt niet van strenge winters. Is de winter ook maar even te streng (drie dagen strenge vorst is al voldoende) dan leggen ze massaal het loodje. De laatste jaren waren de winters in Nederland zacht tot vrij zacht en dus konden we behoorlijk wat graszangers begroeten. Het kerngebied ligt in Zeeland, naast geschikt habitat heeft deze provincie in de winter een zeer mild klimaat, maar ook op andere plaatsen veel noordelijker duiken ze inmiddels op. De naam 'zip'-zanger is eigenlijk een veel betere naam dan graszanger want tijdens de balts vliegen ze voortdurend 'zippend' rond. Daaraan zijn ze heel goed herkenbaar.

Cetti's Zanger
De cetti's zanger (Cettia cetti) is een soort die in de jaren zestig en zeventig met redelijke aantallen was vertegenwoordigd in het zuidwesten van ons land. Helaas is de cetti's zanger net zo'n wintergevoelige soort als de graszanger met als gevolg dat hij verdween toen er in de jaren zeventig en tachtig enkele strenge winters waren. Nu is de soort langzaam weer aan het oprukken en zijn er al weer enkele broedgevallen gemeld, allemaal in de zuidelijke provincies. De klimaatverandering zal de graszanger en de cetti's zanger behoorlijk in de kaart spelen.

Slangenarend
De laatste jaren worden steeds meer slangenarenden (Circaetus gallicus) langdurig pleisterend waargenomen in ons land. In 2003 op drie plaatsen: de Hoge Veluwe, het Fochteloërveen en de Hamert. Blijkbaar is het voedselaanbod op deze plekken zo groot (slangen en hagedissen) dat ze goed kunnen overleven. Het zou geen verbazing wekken als we op korte termijn een broedgeval van deze 'reuzenbuizerd' kunnen begroeten. Een gebied als het Fochteloërveen waar ook al meerdere slangenarenden tegelijkertijd zijn gezien, lijkt heel geschikt.

Bijeneter
De bijeneter (Merops apiaster) is als broedvogel vooral te vinden in het gebied rond de Middellandse Zee en op de Balkan. Het is een echte warmteminnende soort die in kolonies broedt, meestal in zandgravingen of steile zandwanden. In de buurt van de nesten moet water zijn, waar insecten te vinden zijn waar ze op jagen. In het verleden kwamen verdwaalde bijeneters tijdens de trek zo nu en dan in Nerderland, de laatste jaren waren er verschillende broedgevallen in ons land.


De vogelwereld is voortdurend in beweging zo mag blijken uit het bovenstaande. Waar soorten als de veldleeuwerik, kuifleeuwerik en ortolaan in hoog tempo aan verspreidingsareaal inboeten, met name veroorzaakt door ongunstige habitatveranderingen, zijn er ook soorten die lijken te profiteren van veranderende (klimatologische) omstandigheden. Er komen nieuwe, zuidelijke soorten bij in ons land, en wanneer er naar populatietrends gekeken wordt, zien we dat het over het algemeen beter gaat met soorten die een meer zuidelijke verspreiding hebben dan met soorten met een noordelijke verspreiding. Een aantal nieuwe soorten in Nederland zijn soorten die van waterrijke biotopen houden. Het oppervlak van dit soort gebieden neemt toe in ons land. Vogels als de grote en kleine zilverreiger profiteren hier nu al van.

Het is moelijk te zeggen welke veranderingen in verspreiding precies toe te schrijven zijn aan veranderingen in het klimaat. Doordat veel grond intensief gebruikt wordt door landbouw, is er vaak weinig geschikt habitat te vinden voor soorten die hier klimatologische gezien wel voor zouden kunnen komen.

Voor de vogelsoorten waarvoor Nederland het zuidelijkste punt van hun areaal is, zal Nederland wellicht op den duur te warm gaan worden, en wordt het habitat hier ongeschikt. Hierbij gaat het om soorten als velduil en tapuit. Ook deze soorten hebben net als veel andere soorten te lijden onder afname van broedbiotoop. Of ze stand zullen houden, of wat precies de oorzaak zal zijn van hun verdwijnen zal de toekomst uit moeten wijzen.


Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse , Wageningen UR.