Klimaatverandering en Beleid
4 juni 2003
Op maandag 2 juni heeft in Amersfoort een minisymposium plaatsgevonden
met het thema: "Consequenties van klimaatverandering voor het
natuurbeleid". Het minisymposium was georganiseerd door de Raad voor
het Landelijk Gebied en de Stichting De Levende Natuur. De Natuurkalender
heeft actief bijgedragen door de resultaten van de eerste paar jaar te
presenteren.
Op het symposium hebben deskundigen van onderzoeksinstellingen,
maatschappelijke organisaties en overheden de consequenties van de
klimaatverandering voor het natuurbeleid en de benodigde kennisvoorziening
in kaart gebracht.
Het optreden van klimaatverandering was ten tijde van het formuleren
van het huidige natuurbeleid nog relatief onzeker, nu is het realiteit. De
vraag is dan ook of het huidige natuurbeleid voldoende rekening houdt met
de gevolgen van klimaatverandering. Zijn er aanpassingen in het beleid en
het beheer nodig? Zijn de doelstellingen van het natuurbeleid
klimaatbestendig? Is het concept van de Ecologische Hoofdstructuur nog
steeds een passende aanpak? Is het beheer voorbereid op
klimaatverandering? Besteden we de beschikbare middelen nog effectief. Een
groot aantal lastige vragen dus waar een antwoord op gevonden moet worden.
Op het minisymposium werd de bestaande kennis over de effecten van
klimaatverandering op de natuur gepresenteerd, op basis van het
themanummer van het tijdschrift De Levende Natuur over klimaatverandering
(mei 2003). Ik was door de organisatie gevraagd om ter inleiding de
resultaten van De Natuurkalender kort te presenteren. In de presentatie
heb ik een groot aantal voorbeelden gegeven van de vervroeging van het
voorjaar die is opgetreden als gevolg van de stijging van de temperatuur
in de afgelopen jaren. De belangrijkste conclusies die we naar voren
hebben gebracht zijn:
- De timing van vele fenologische processen wordt sterk bepaald door
klimaatsvariabelen, met name temperatuur.
- Er zijn grote veranderingen in timing waargenomen in Nederland sinds
eind jaren 80 (tot wel meer dan 30 dagen bij bijvoorbeeld Brem). De
waargenomen veranderingen zijn in overeenstemming met veranderingen in
de ons omringende landen.
- Verschillende soorten en soortsgroepen reageren verschillend op
eenzelfde verandering in temperatuur.
- Processen die aan begin van het jaar plaatsvinden hebben grotere
veranderingen laten zien wat te verklaren is door de stijging van de
temperatuur. De temperatuur in de late winter en vroege lente is
immers het sterkst gestegen.
- In de toekomst zullen de veranderingen zich doorzetten als het
klimaat verder gaat veranderen.
- Veel bestaande interacties tussen soorten zullen niet meer kloppen.
Planten en dieren zijn in veel gevallen voor voedsel afhankelijk van
andere planten en dieren. Door ongelijke veranderingen in timing lopen
ze elkaar mis. Er is duidelijk meer studie nodig naar deze interacties
en naar de veranderingen die nu al optreden.
- Het is noodzakelijk om in het onderzoek meer aandacht te geven aan
de mogelijke extreme veranderingen die op gaan treden in het klimaat.
Een stijging van maximaal 9 graden Celsius zal meer betekenen voor de
natuur dan een gemiddelde stijging van bijvoorbeeld 3 graden. Als we
ons goed willen voorbereiden op mogelijke toekomstige gevolgen moeten
we dus ook naar de uitersten kijken.
- Het doen van waarnemingen door vrijwilligers wat gecoördineerd
wordt door organisaties als De Vlinderstichting, SOVON en FLORON is
onmisbaar voor signalering van veranderingen in de natuur,
wetenschappelijke analyse, versterken van bewustwording en het
vergroten van de ondersteuning van lokaal, provinciaal en nationaal
natuurbeleid.
- Het Natuurkalender initiatief geeft duidelijk aan dat waarnemingen
en analyses een grote (sociale) impact kunnen hebben en dat ze een
duidelijke functie kunnen hebben in het beleid.
- De Natuurkalender illustreert ook de noodzaak voor het bevorderen
van een actieve samenwerking tussen wetenschap, NGO’s, media,
beleid, private sector, en publiek. Dit resulteert namelijk in
effectiever gebruik van kennis. Het geheel blijkt meer te zijn dan de
som der delen.
Na de inleidende presentaties werd in kleine groepen de consequenties
voor het natuurbeleid, het natuurbeheer en de benodigde kennisvoorziening
besproken. De resultaten van deze discussies worden onder meer benut voor
een advies over de Ecologische Hoofdstructuur dat de Raad voor het
Landelijk Gebied momenteel voorbereidt. In het kader van de Ecologische
Hoofdstructuur probeert het ministerie van LNV een ruimtelijk samenhangend
netwerk van natuurgebieden te creëren, waaraan soorten kunnen overleven.
Bestaande natuurgebieden worden in een netwerk door verbindingszones aan
elkaar geschakeld. Daar waar gebieden te klein zijn worden ze vergroot,
daarnaast worden nieuwe natuurgebieden aangelegd.
Deze Ecologische Hoofdstructuur werd door veel deskundigen, die
aanwezig waren op het minisymposium, gezien als een van de mogelijkheden
om de planten en dieren in Nederland op de veranderingen in het klimaat te
laten reageren. Zodra de resultaten van het symposium beschikbaar zijn
doen we er weer melding van.
Arnold van Vliet
De Raad voor het Landelijk Gebied is een onafhankelijk adviescollege
voor Landbouw, Natuur, Bos en Landschap, Openluchtrecreatie en Visserij.
De Levende Natuur is een tijdschrift voor natuurbehoud en natuurbeheer
(http://www.delevendenatuur.nl/)
Terug naar boven
Copyright © 2002 Leerstoelgroep
Milieusysteemanalyse, Wageningen
Universiteit.
Voor het laatst aangepast: 01 February 2005 17:09
|