Opwarming Waddenzee leidt tot slechte schelpdierontwikkeling
|

|
3 oktober 2005
Vogels en vissers varen wel bij een rijke populatie schelpdieren in de Waddenzee. Het ene jaar leven er echter veel meer
schelpdieren op het wad dan het andere jaar. Het nonnetje (Macoma balthica) is zo’n schelpdier. Promovendus Oscar Bos van het
Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ)
op Texel zocht een verklaring voor de grote variatie in de jaarlijkse hoeveelheid nonnetjes op het wad. Een belangrijke oorzaak
is een gebrek aan voedsel in de eerste weken van hun bestaan, ontdekte Bos. Deze ondervoeding is een direct gevolg van de
zachte winters van de laatste jaren. Ondervoede nonnetjeslarven gaan niet direct dood, maar blijven kleiner en zijn daardoor
een makkelijke prooi voor garnalen.
De hoeveelheid schelpdieren in de Waddenzee is al jaren onderwerp van verhit debat tussen onderzoekers, natuurbeschermers
en schelpdiervissers. Zo zouden kokkelvissers teveel voedsel wegvissen voor schelpdieretende vogels als de scholekster en
de eidereend. In jaren van schaarste leidde dit tot een verhoogde sterfte onder deze wadvogels. Biologen van het NIOZ
onderzochten door welke factoren de populatiegrootte van schelpdieren in de Waddenzee jaarlijks wordt bepaald. Bos
concentreerde zich op de effecten van een beperkt voedselaanbod op de groei, ontwikkeling en overleving van de larven
van het nonnetje.
Baby nonnetjes
Het nonnetje, een tweekleppige met een tere pastelkleurige schelp, is een van de meest algemene schelpdieren in de
Waddenzee. Het leeft ingegraven in de bodem, eet algen en bacteriën en is een belangrijke voedselbron voor wadvogels
en platvissen. Al sinds 1969 nemen biologen van het NIOZ tweemaal per jaar monsters op het Balgzand, een wadplaat tussen
Den Helder en de Afsluitdijk. Uit dit lange-termijn onderzoek is gebleken dat de jaarklassterkte van het nonnetje al in het eerste
jaar bepaald wordt: hoe meer eerstejaars nonnetjes er zijn, hoe meer volwassen schelpdieren er een paar jaar later op het wad
te vinden zijn. ‘Je moet dus onderzoeken door welke factoren het aantal eerstejaars nonnetjes bepaald wordt,’ aldus Bos. ‘Daarom
hebben we nu de baby nonnetjes bestudeerd’.
Voedselgebrek
Schelpdierlarven halen in de natuur slechts maximaal 25% van de energie binnen die nodig is voor maximale groei. Een
goede maat voor ontwikkeling bij larven is de vorming van een voetje, waarmee de schelpen zich in het sediment kunnen
ingraven. De groei en ontwikkeling bleek sterk af te hangen van het voedselaanbod. Ondervoede larven groeien en ontwikkelen
zich langzamer. Een voedseltekort kan zo indirect leiden tot een vroege dood doordat de kleine nonnetjes een makkelijke prooi
vormen voor roofdieren zoals de garnaal. Bos: ‘Garnalen zoeken de kleinste schelpjes eruit’.
Klimaatverandering
Een tekort aan algen in de Waddenzee ontstaat vooral na warme winters. Nonnetjes planten zich voort als de temperatuur van
het water na de winter is opgelopen tot 8 à 9 ºC. Het op gang komen van de grote voorjaarsbloei van algen wordt echter
uitsluitend bepaald door de hoeveelheid licht en hangt dus voornamelijk af van de daglengte en daarmee van de zonnestand.
In warme winters verschijnen de nonnetjeslarven dus al veel vroeger in het jaar dan hun voedsel, met als gevolg ondervoeding en
een kleine broedval. Door de opwarming van de aarde komen milde winters steeds vaker voor. Dit leidt tot een toenemend aantal
jaren met een kleine broedval, met als direct gevolg een kleine populatie aan volwassen nonnetjes enkele jaren later. Het onderzoek
ondersteunt daarmee de theorie dat klimaatverandering in Nederland leidt tot slechtere overlevingskansen voor deze schelpdieren.

Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.
|