Vogelevolutie te traag voor aanpassing aan veranderend klimaat
|

|
14 oktober 2005
Vogels zoals koolmezen kùnnen zich aanpassen aan de effecten van klimaatverandering. “Maar
omdat deze aanpassingen waarschijnlijk niet snel genoeg gaan, kan dit uiteindelijk negatieve
gevolgen hebben voor (het aantal dieren van) de soort.” Phillip Gienapp van het
Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)
stelde vast dat overlappende generaties en de beperkte erfelijkheid van broedtijdstip
de trage evolutionaire reactie veroorzaken.
 |
 |
 |
Koolmeesnest Foto: Truus Wijnen
|
Waarom passen de mezen zich niet beter aan? Op deze vraag hebben Phillip Gienapp en zijn collega’s
van het NIOO-KNAW zich de afgelopen jaren
gestort. Voor een zangvogel is het cruciaal om jongen te krijgen op het moment dat het voedsel
in overvloed aanwezig is. Het klimaat is de afgelopen tientallen jaren veranderd. Het voorjaar
is bij ons warmer geworden. Hierdoor broedt de koolmees niet meer op precies het
juiste moment. De rupsen van bosvlinders kruipen bijna twee weken vroeger uit het ei. Deze rupsen
vormen het voedsel van de jonge meesjes die gemiddeld maar een paar dagen eerder uit het ei komen.
Het gevolg hiervan is dat de vroege broeders onder de mezen meer succes hebben en dus meer
nakomelingen op de wereld zetten.
De biologen Daniel Nussey, Erik Postma, Phillip Gienapp en Marcel Visser schrijven deze week
in Science dat de mezen wel over de ingrediënten beschikken om zich aan te passen. Ze laten
zien dat in een wilde populatie koolmezen de mogelijkheid om de broedtijd aan te passen aan
de omstandigheden varieert. En die variatie in ‘plasticiteit’ van broedtijd is erfelijk.
De meest ‘plastische’ dieren, die zich het meest kunnen aanpassen, hebben de laatste 32 jaar
steeds meer succes gekregen. Dit valt samen met de steeds grotere ‘mismatch’ van de afgelopen
jaren met hun rupsenvoedsel. Als deze selectie doorgaat, zal er een ‘nieuwe mees’ ontstaan die
beter aangepast is aan een warmer klimaat. De bouwstenen zijn er dus.
Toch blijft er een probleem bestaan. Phillip Gienapp: “De snelheid waarmee de dieren zich
aanpassen is waarschijnlijk niet voldoende om de veranderingen bij te benen.” Dit komt doordat
de timing van het starten met broeden maar voor een klein deel erfelijk is. Bovendien speelt mee
dat de generaties broedvogels overlappen: het duurt dus langer voordat een aanpassing in de
hele populatie doorgedrongen is. Daarnaast geven ook vaders via hun genen de eigenschap van de
eileg-start door, maar ze worden er zelf niet op ‘afgerekend’.
Aan de hand van klimaatvoorspellingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)
en een nieuw ontwikkeld model voor ‘koolmeesfenologie’ hebben de onderzoekers de ontwikkelingen
voor de koolmezen en hun voedsel voor de komende eeuw voorspeld. “De mezen met hun legdatum en
de rupsen vervroegen met dezelfde snelheid. Het verschil, de mismatch, zal dus blijven bestaan.”
De vogels die te vroeg of te laat broeden ten opzichte van de rupsenpiek in het voorjaar blijken
minder jongen groot te brengen, die bovendien lichter zijn. Gienapp: “Dit zal negatieve effecten
hebben op het voortbestaan van populaties. De koolmees staat model voor andere soorten. Kwetsbare
soorten zouden hierdoor zelfs kunnen uitsterven.”
Meer informatie
Proefschrift: Breeding in a Warming World – Evolution of Avian Breeding Time
under Climate Change.
Een
Nederlandstalige samenvatting is beschikbaar.
Artikel in Science: Selection on Heritable Phenotypic Plasticity in a Wild Bird Population,
Daniel H. Nussey, Erik Postma, Phillip Gienapp & Marcel E. Visser. Science, 14 oktober 2005.
Website NIOO

Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.
|