Hooikoorts: Hoe en wat
|
|
Wat is hooikoorts?
In Nederland hebben meer dan een miljoen mensen last van hooikoorts. Hooikoorts is een seizoensgebonden
overgevoeligheidsreactie, vooral van het neusslijmvlies. De symptomen waar hooikoortspatiënten last van
krijgen vallen samen met de periodieke aanwezigheid van stuifmeelkorrels (pollen) van verschillende
plantensoorten die hun pollen via de lucht verspreiden, in plaats van via bijen.
In de pollen van deze plantensoorten zitten stoffen, bijvoorbeeld sommige eiwitten, waar men allergisch
voor kan raken. Wanneer mensen met veel van deze “allergenen” in aanraking komen, kan hun immuunsysteem
dit als een gevaarlijke stof gaan zien, ook al zijn ze soms vrij onschuldig. Het lichaam onthoudt dit en
zal een volgende keer dat het het allergeen tegenkomt snel en heftig reageren. De patiënt is dan overgevoelig
(allergisch) geraakt voor deze stof. Bij hernieuwd contact laten de “mestcellen”, het geheugen van het
immuunsysteem, in korte tijd grote hoeveelheden “histamine” los. Dit is een soort boodschapperstofje dat
andere cellen laat reageren. In het geval van hooikoorts zorgt deze reactie voor klachten als niezen,
loopneus en verstopte neus. Vaak gaan deze klachten vergezeld van jeukende ogen, keel en oren.
Helaas is de diagnose van hooikoorts is niet eenduidig te stellen, doordat over de criteria geen algemene
overeenstemming bestaat.
Welke planten veroorzaken hooikoorts?
Er zijn drie groepen van planten geïdentificeerd die allergeen stuifmeel kunnen produceren:
- Bomen
Met name berk (Betula pendula), els (Alnus glutinosa) en hazelaar (Corylus avellana).
- Grassen
Allerlei soorten, zoals Engels raaigras (Lolium perenne), het meest voorkomende gras in Nederland), kropaar (Dactylis glomerata) en timoteegras (Phleum pratense).
- Kruiden
Zoals bijvoet (alsem, Artemisia sp.), zuring (Rumex sp.) en weegbree (Plantago sp.).
Een aantal van deze soorten kunnen reusachtige hoeveelheden stuifmeel produceren, waardoor bijvoorbeeld de concentratie van berkenpollen in de atmosfeer kan oplopen tot meer dan 2.000 stuifmeelkorrels per kubieke meter lucht.
In de
pagina met de pollentellingen
van het Leids Universitair Medisch Centrum en van het Elkerliek Ziekenhuis te Helmond staat een overzicht
van de planten waarvan de pollen geteld worden. Voor elke dag staat het daggemiddelde aantal pollen per
ca. 1 kubieke meter lucht van 0:00 tot 24:00 uur. Niet alle planten zorgen voor hooikoortsklachten.
Met kleuren is aangegeven in welke mate de pollensoort allergeen is:
Groen geeft aan dat het pollen matig allergeen zijn
Geel geeft aan dat het pollen sterk allergeen zijn
Rood geeft aan dat het pollen zeer sterk allergeen zijn
Dit betekent niet dat de overige soorten helemaal geen klachten kunnen veroorzaken, maar het komt veel minder vaak voor.
Relatie bloeiperiode en temperatuur
De hooikoortsklachten doen zich voor zodra de patiënt in contact komt met pollen. De planten moeten dus in bloei staan. Elke plantensoort bloeit op een ander moment in het jaar. De start en het einde van het pollenseizoen kan echter van jaar tot jaar met enkele weken variëren. De temperatuur beïnvloedt in sterke mate de tijdstippen. Figuur 1 geeft bijvoorbeeld de relatie weer tussen de start van de bloei van de Berk in Nederland en de gemiddelde temperatuur. Bij een warme start van het jaar begint het berkenseizoen al eind maart terwijl bij een koud voorjaar het seizoen pas eind april begint, een maand later.

Figuur 1: Start pollenseizoen van Berk in relatie met de gemiddelde temperatuur in de periode februari en maart (bron pollendata: LUMC).
Klimaatverandering en lengte pollenseizoen
Door de klimaatverandering veranderen de bloeitijden van planten. De Natuurkalender laat hier veel voorbeelden van zien. Op basis van dagelijkse pollentellingen is ook te bepalen wanneer planten beginnen en stoppen met bloeien. De pollentellingen in Nederland worden al vanaf 1969 door het Leids Universitair Medisch Centrum uitgevoerd. In samenwerking met De Natuurkalender worden deze pollentellingen geanalyseerd. In de periode 1990 tot en met 2000 stonden pollenproducerende planten gemiddeld bijna 3 weken langer in bloei dan in de periode 1977 t/m 1987. Met name de start van het pollenseizoen is vervroegd (gemiddeld 2 weken) als gevolg van de hogere gemiddelde temperaturen (zie figuur 2). Figuur 3 geeft aan hoe het de start en het einde van het berkenpollenseizoen in de loop der jaren veranderd is.
Toekomstige klimaatsveranderingen kunnen de bloeiperiode verder beïnvloeden. Nader onderzoek is nog noodzakelijk om te kijken of het pollenseizoen langer of juist korter gaat worden.

Figuur 2: Verandering in lengte van pollenseizoen in Nederland in de periode 1977 – 2000 (berekeningen gebaseerd op dagelijkse pollentellingen van het LUMC).

Figuur 3: Verandering van start en einddatum pollenseizoen van de berk in Leiden (bron data: LUMC).
Totaal aantal pollen in de lucht
Behalve dat de pollenseizoenen langer worden, zal naar verwachting ook de totale pollenproductie de komende jaren verder toenemen. Dit komt door zowel de stijging van de temperatuur als de stijging van de CO2 concentratie in de atmosfeer. Bijvoorbeeld, een verdubbeling van de CO2 concentratie heeft in een experimentele opzet in Amerika geleid tot een flinke toename (61%) in de productie van allergeen Ambrosia-stuifmeel. Van de berk, els en hazelaar is ook bekend dat hun pollenproductie aan het stijgen is.
Ambrosia heeft nog als bijkomend probleem dat het wat hooikoorts betreft waarschijnlijk de meest irriterende soort is die er bestaat. Het plantje is zeldzaam in Nederland, maar dit zal waarschijnlijk veranderen. De plant is namelijk sinds het begin van de jaren '90 mede door de temperatuurstijging bezig aan een sterke opmars vanuit Zuid-Europa. Andere probleemsoorten, zoals olijf en glaskruid, rukken ook steeds verder op.
Hoe worden de pollen geteld? 
De luchtmonsters voor de pollentellingen worden verkregen met behulp van een soort stofzuiger (Burkard sampler), die op het dak van zowel het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) als het Elkerliek Ziekenhuis staat. Deze "stofzuiger" zuigt met een constante aanzuigsnelheid de buitenlucht langs een dunne cellulose strip. Deze strip is bedekt met een dun laagje vaseline, waarin de kleine deeltjes uit de buitenlucht worden gevangen. Van deze strip wordt voor elke dag een microscopisch preparaat gemaakt. De pollenkorrels, die in deze preparaten aanwezig zijn, kunnen worden geteld met behulp van een microscoop. Op deze wijze kan achteraf bepaald worden welke soorten stuifmeel in de lucht aanwezig zijn geweest. Dit leert ons wanneer de bloei van bepaalde planten begint, piekt of eindigt.
Kruisreactiviteit
Als u allergisch bent voor een bepaald pollen of een stof, is de kans groot dat u ook een allergische reactie gaat vertonen op een andere pollen of stof. Hieronder zijn een aantal kruisreacties van pollen op een rijtje gezet.
Rood geeft het meeste risico op kruisreactiviteit, vervolgens roze en blauw. Groen geeft het laagste risico op kruisreactiviteit.

Copyright © 2012 Leerstoelgroep Milieusysteemanalyse
, Wageningen UR.
|